|
|
Schriftuitleg van
Kerstnacht 24 december 2011.

Inleiding:
Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt.
Schriftteksten
Eerste lezing Jesaja 9, 1-3.5-6
Het volk dat in het donker wandelt ziet een groot licht; een licht
straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis. Gij hebt
hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. Voor uw aanschijn zijn
zij vol vreugde, een vreugde als die om de oogst, als die van mensen die
jubelen bij het verdelen van de buit. Want het juk dat zwaar op het volk
drukte, de stang op hun schouders, en de stok van hun drijvers, Gij hebt
ze stuk gebroken als op de dagen van Midjan. Want een kind is ons
geboren, een Zoon werd ons geschonken; Hem wordt de macht op de
schouders gelegd en men noemt Hem: wonderbare raadsman, goddelijke held,
eeuwige Vader, vredevorst. Een grote macht en een onbeperkte welvaart
zullen toevallen aan Davids troon en aan zijn koninkrijk, zodat het
gegrondvest zal zijn en stevig gebouwd op recht en gerechtigheid van nu
af tot in eeuwigheid. De ijver van de Heer der hemelse machten brengt
het tot stand.
Tweede lezing Titus 2, 11-14
Dierbare, de genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde
verschenen. Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te
verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd,
terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de
openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en heiland Christus
Jezus. Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle
ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk,
gereinigd van zonde, vol ijver voor alle goeds.
Evangelie Lucas 2, 1-14
In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus dat er een
volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk. Deze volkstelling
vond plaats eer Quirinius landvoogd van Syrië was. Allen gingen op reis,
ieder naar zijn eigen stad, om zich te laten inschrijven. Ook Jozef trok
op en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David, ging hij
van Galilea, uit de stad Nazareth naar Judea: naar de stad van David,
Bethlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen met Maria zijn
verloofde die zwanger was. Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan
waarop zij moeder zou worden; zij bracht een zoon ter wereld, haar
eerstgeborene. Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een
kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. In de omgeving
bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde
bewaakten. Plotseling stond een engel des Heren voor hen en zij werden
omstraald door de glorie des Heren zodat zij door grote vrees werden
bevangen. Maar de engel sprak tot hen: "Vreest niet, want zie, ik
verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het
volk. Heden is u een redder geboren, Christus de Heer, in de stad van
David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind
vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe". Opeens voegde zich
bij de engel een hemelse heerschare, zij verheerlijkten God met de
woorden: "Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in
wie Hij welbehagen heeft".
Uitleg:
Het thema van deze Kerstnacht is: ‘Tijding van vreugde’. Dat God op
aarde gekomen is, dat God Mens geworden is, dat is inderdaad een grote
tijding van vreugde, toen en nu. Voor alle mensen van goede wil is het
een onuitsprekelijke vreugde dat God zoveel van ons houdt dat Hij niet
alleen onze Vader wil zijn, maar ook onze Broeder. Een nakomeling van
Adam en Eva, en nakomeling van koning David en Koning voor eeuwig. God
was reeds Koning voor eeuwig, maar Hij is bij ons gekomen om ons uit de
materiële slaap te halen. De slaap die denkt dat het leven op aarde
alles is. Dat dit leven een begin heeft en een definitief einde bij de
lichamelijke dood. Maar dat is het begin. Zeker, de conceptie is het
eerste begin van het menselijk leven op aarde, de geboorte het eerste
begin van een onafhankelijk leven op aarde, een leven waarbij elk mens
een absoluut vrije wil is gegeven. Deze vrije wil kan in de praktijk
hinder ondervinden van de leefomstandigheden, doordat niet alles wat
gewild wordt ook kan worden uitgevoerd. Daar geldt allereerst de
beperkingen van het lichaam, maar ook de beperking die de samenleving
ons mensen oplegt. Maar binnen deze grenzen, en wat betreft de
samenleving ook buiten deze grenzen, zijn wij geheel vrij in ons willen.
Onze liefde bepaalt wat voor soort leven wij hebben, liefdevolle mensen
zullen anders tegen de samenleving aankijken dan egoïstische mensen.
Maar wij hebben een aantal jaren, de een langer dan de ander, dat wij op
deze aarde wonen. Dan komt onherroepelijk de lichamelijke dood. En dan
is het wederom de liefde die bepaald waar wij terecht komen. Is de
liefde op zichzelf gericht, dan komen wij bij de egoïsten terecht in de
hel of, indien er nog een beetje liefde is voor anderen, in het
vagevuur, het tussenrijk tussen hel en hemel. Is de mens een waar kind
van God geworden, dan komt hij in de hemel terecht, omdat zijn liefde
hem daartoe aan zet. Waar hij staat moet u ook zij lezen, lees dit naar
uw eigen geslacht. Immers, op God kunnen wij mensen alleen maar gaan
lijken, en daardoor Zijn kind worden, door een grote liefde voor God en
voor onze naasten. Maar in ieder geval is de lichamelijke dood het begin
van het leven in het rijk van de geesten, ongeacht het uitgangspunt. Als
teveel mensen in de duisternis van de zelfzucht en het eigenbelang
leven, dan zal God ingrijpen, want dan dwalen wij mensen teveel af van
Zijn bedoelingen met ons. Dat gebeurde in de tijd dat God op aarde kwam
en dat gebeurt helaas ook heden, nu wij Zijn tweede komst binnenkort
kunnen verwachten. Helaas, omdat God de tweede keer komt in alle macht
en heerlijkheid en voor Hem uit allen van de aarde wegvaagt, die Hem
niet willen, maar wel een leven tegen Zijn orde in, een leven in
zelfzucht en eigenbelang. Jesaja had het over de eerste keer dat God in
Jezus Christus op aarde kwam. Toen werden heel veel mensen gered, want
bijna tweeduizend jaren lang werd Gods leer verkondigd en de mensen
opgeroepen om daar naar te leven. De grote afbraak van het geloof, in
ons deel van de wereld, werd pas doorgezet in de laatste eeuw, al was
die reeds eeuwen geleden voorbereid. En nu is er wederom een tijd dat
wij mensen in het donker wandelen en wonen in een land van doodse
duisternis. En wederom zal God in Jezus Christus komen om ons te redden.
Voor alle mensen van goede wil is dit een tijd van vreugde en van
verdriet. Vreugde om de komst van de Heer, verdriet om allen die zij
liefhebben, maar door hun halsstarrige onwil om God te erkennen als ook
hun Schepper en Vader, waardoor zij verloren gaan in eeuwigheid. Deze
nacht vieren wij dat de Bron van alle leven op aarde is verschenen. In
een Kind dat ons is geschonken. Een Kind, die God is en Wonderbare
Raadsman, Goddelijke Held, Eeuwige Vader en Vredesvorst wordt genoemd en
het ook is. Zijn leer is de meest liefdevolle leer die ooit aan ons
mensen is gegeven. Door het offer van Jezus Christus, door het offer van
God om met ons Mens te worden, is de kloof tussen God en ons mensen,
ontstaan door de zondeval van Adam en Eva, overbrugd. Zo zeer heeft God
ons mensen lief gehad, dat Hij op onze planeet Mens is geworden. Hij
kwam niet in een prachtig paleis ter wereld, niet als een zoon van een
koning, nee voor Hem en Zijn moeder en voedstervader was er zelfs geen
plaats meer in een herberg. Hij kwam in een stal, te midden van dieren
op onze aarde. Een grot in een rots, waarvan men een stal had gemaakt
voor de dieren. Er was geen prachtig opgetuigde wieg voor Hem die hemel
en aarde geschapen heeft, maar een kribbe, een voederbak voor de dieren,
waar Hij in ten ruste werd gelegd. Geen koningsmantel of prachtige
kleding, maar doeken werden om Hem heen gewikkeld. Zijn kraambezoek
waren arme herders, die in de omgeving hun kudden bewaakten. En dat
alles was een teken voor ons, die vaak zo hoogmoedig zijn en het grote,
de pracht en praal en het machtige vereren. Onze God is een God van
eenvoud en deemoed. Hij kwam op aarde in een grot, een woning die
Hijzelf had gemaakt. Hij leefde bij arme mensen en de armen, die door
hun medemensen veracht werden, werden door God uitgenodigd om Zijn
eerste bezoekers te zijn. Mensen die, net als God, deemoedig en nederig
waren, konden de glans van Zijn Godheid verdragen, doordat zij geloofden
dat in Hem de Redder geboren was, de Messias, de Christus, de Verlosser
van de mensheid. De Tempelheren, die beweerden dat zij bij uitstek God
dienden, die waren afwezig, ook toen wijze mannen hen meldden dat hun
Koning geboren was. Zij wisten toen wel te vertellen waar Hij geboren
was, maar vonden het teveel moeite om naar Hem toe te reizen. Hoe kan
God nu welbehagen hebben over zulke hoogmoedige mensen? De herders, ja
over hen wel, want zij deden wat God van hen wilde, in alle nederigheid
en deemoed hun meesters, hun bazen dienen, door goed voor diens kudde te
zorgen. Want de grote kudden schapen, waar de herders van die tijd mee
rondtrokken, waren niet hun eigendom, maar het eigendom van rijke
mensen. Zij deden het werk, de winsten werden door anderen opgestreken,
zoals dat altijd al was, nu is en altijd zal zijn. God echter heeft
zulke mensen, vaak veracht en vertrapt door hun ‘aanzienlijke’
tijdgenoten, lief omdat zij liefde hadden en hebben. En God kijkt niet
naar de maatschappelijke positie, niet naar het vermogen van een mens,
enkel naar diens liefde. Voor God is een keizer net zoveel waard als een
bedelaar of een slaaf, de liefde van een mens telt voor God, verder
niets. Uit liefde is God voor ons op aarde gekomen in ons Kerstkind, een
liefde die God door ons mensen beantwoordt wil zien. En dan mogen ook
wij, net als de herders, bij onze Heer en God op kraamvisite komen. Wij
zijn te laat geboren om Hem in levende wijze te ontmoeten. Wij kunnen
Jezus dan ook niet op de arm dragen, maar wel God in Jezus Christus in
de liefde van ons hart. Bedenkt dat Jezus, dus God, diegenen zalig heeft
verklaard die niet zien maar wel geloven. Doen wij dat dan komen wij
zeker in de hemel. Wellicht ook in het huis van onze Vader, God in Jezus
Christus, het hemelse Jeruzalem. Daarvoor hoeven wij enkel maar als
daadwerkelijke christenen te leven en laten wij dan ervoor bidden dat
wij elkaar daar allemaal mogen tegenkomen. Zalig Kerstmis!
Amen.
Cor Huizer.
|
|