Dit is een titel en kan je ook rechtstreeks aanpassen (gewoon hier klikken, en typen).

Schriftuitleg van zondag 30 oktober 2022.

Inleiding: 

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt. 

Schriftteksten: 


Eerste lezing Wijsheid 11, 23 - 12,2

Heer, heel de aarde is voor U als een stofje op de weeg­schaal, als een vroege dauwdruppel die neervalt op aarde. Maar Gij ontfermt u over allen, want Gij vermoogt alles; en Gij let niet op de zonden der mensen, opdat ze tot inkeer komen. Gij houdt immers van alles wat bestaat, en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt; want zoudt Gij iets haten, dan had Gij het niet geschapen. Hoe zou er iets kunnen blijven bestaan tegen uw wil, hoe zou behouden kunnen blijven wat Gij niet gemaakt hebt? Ja, alles spaart Gij, want alles is van U, en Gij heerst vol liefde over al wat leeft! Uw onvergankelijke Geest is aanwezig in alles wat be­staat. Daarom straft Gij de zondaars met mate, en herin­nert ze waarschuwend aan hun zonden, opdat ze hun boosheid verlaten en trouw blijven aan U, Heer. 


Tweede lezing 2 Thessalonicenzen 1, 11 - 2 ,2

Broeders en zusters, telkens opnieuw bidden wij onze God, dat Hij u Zijn roeping waardig maakt en al uw goede voornemens en elke daad van uw geloof met macht tot volkomenheid brengt. Dan zal de Naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt worden - en gij in Hem - door de ge­nade van onze God en de Heer Jezus Christus. Wij moeten u echter verzoeken, broeders en zusters, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem niet zo gauw uw bezinning te verliezen. Laat u toch niet opschrikken door profetieën of uitspraken of een brief die van ons afkomstig zouden zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken. 


Evangelielezing Lucas 19,1-10

In die tijd ging Jezus Jericho binnen. Terwijl Hij er door­heen trok poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, te zien wie Jezus was. Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. Om Hem toch te zien liep hij hard voor­uit en hij klom in een wilde vijgenboom omdat Jezus daar langs zou komen. Toen Jezus bij die plaats kwam keek Hij omhoog en zei tot hem: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn’. Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap. Allen zagen dat en merkten morrend op: ‘Hij is bij een zon­daar zijn intrek gaan nemen!’. Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: ‘Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug’. Jezus sprak tot hem: ‘Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken, en om te redden wat verloren was’. 

Uitleg:

Het thema van deze zondag is: ‘Mag ik bij jou te gast zijn?’.  Mag Ik bij jou te gast zijn, vroeg God in Jezus Christus niet alleen aan Zacheüs, maar ook aan alle mensen van goede wil. Gast zijn in het hart van mensen wil God, om van ons gewone mensen kinderen van God te maken. Want in het hart van elke mens leeft de geest en de ziel, die allen geroepen zijn voor de allerhoogste hemel. Elk mens op Aarde is geroepen om een kind van God te worden en te zijn, zonder uitzondering, maar wij mensen moeten dat dan wel zelf ook willen. Want geen mens wordt gedwongen om de hoogste bestemming – kindschap van God – te aanvaarden; wij mogen deze zeer grote gave, uit eigen vrije wil, ook afwijzen. Wij mogen ook onze eigen wegen – die vaak dwaalwegen zijn – bewandelen door ons leven. Maar er staat geschreven: ‘onze werken volgen ons na’. Dat betekent dat, wie volgens Gods Wil leeft en daarnaar handelt een heel andere toekomst heeft in het eeuwige leven, als die mensen, die lak hebben aan de Geboden van God en geheel leven volgens de hen zelf opgestelde richtlijnen; die nagenoeg altijd hun egoïsme volgen. God heeft Zijn Geboden en richtlijnen ons mensen niet gegeven om deze te negeren, maar om ons leven daarop af te stellen. Wie dat doet kan uitgroeien tot een waar kind van God, afhankelijk van de mate waarin wij deze Geboden ook houden, vooral de meest belangrijke Geboden, die van de liefde. Om een kind van God te worden en te zijn dienen wij God boven alles lief te hebben en onze medemensen, onze zoveel als wij onszelf lief hebben. Dat is de Weg, die Jezus Christus is, deze Weg leidt ons naar de Waarheid vanuit God en brengt ons in het eeuwige Leven als kinderen van God. Is het zo simpel om een kind van God te worden en te zijn? Ja, zo simpel, zo eenvoudig is het! Maar het vereist wel dat wij mensen Gods Geboden houden, wij onze zelfzucht, die ieder mens in meer of mindere mate heeft, opzij zetten om volledig gehoorzaam te zijn aan God en uit liefde tot God en tot onze medemensen, onze naasten, zo onzelfzuchtig mogelijk onze eigen liefde aan anderen ter beschikking te stellen. Dus zichzelf opofferen, om in liefde andere mensen te helpen. Want God kan een ieder van ons helpen – als wij Zijn hulp accepteren – maar wij kunnen God niet helpen, maar wel gehoorzamen. Daarom heeft God de naastenliefde op hetzelfde niveau gezet als de liefde voor en tot God. Want onze naasten in nood kunnen wij wel helpen en God stelt deze hulp, mits uit liefde gegeven, gelijk aan hulp aan Hem Zelf. God heeft onze hulp niet nodig, maar om te kunnen groeien in liefde, hebben wij medemensen – en dieren – gekregen om hen te helpen in daden van liefde. Door heel praktisch mensen, in welke nood dan ook, te helpen. Daarom dienen ook kinderen – nog niet vastgeroest in zelfzucht – geleerd worden dat het pesten van andere kinderen, en grote mensen,  kwade daden zijn, die henzelf ook beschadigen. En welk smoesje ze zich zelf en anderen proberen wijs te maken dan ook; pesten is geen naastenliefde, maar komt voort uit zelfzucht. En wie als kind reeds een pestkop is, kan dit zijn hele leven blijven. Waar zijn staat moet u ook haar lezen, lees dit naar uw eigen geslacht. Want een pestkop denkt dat hij boven anderen staat en, als dit niet al vroeg gecorrigeerd wordt, dan blijft dit gedrag het hele leven bij deze mensen. Want zij hebben nooit geleerd om andere mensen de waarderen op hun eigen en unieke waarde, die elk mens eigen is. Nee, als zij iemand zien, waarvan zij denken dat die zwakker is – of in hun ogen minderwaardig – dan gedragen zij zich als boemannen, als treiteraars, alsof zij boven die mensen staan. En dan heeft Satan een aangrijpingspunt om hen naar de hel te leiden. Terwijl zij zichzelf wijsmaken dat hun gedrag helemaal niet erg is, kunnen zij mensenlevens vernietigen, door zwakkere mensen, of mensen die zwakker lijken, hun levensvreugde te ontnemen. Zelfs zover dat, door doorgaand gepest, sommige mensen zelfmoord plegen, wat nooit goed is voor welk mens dan ook. Het, door te ver doorgezet pestgedrag ,kan een medemens dus vernietigen, wat nooit goed is voor de eigen ziel. Ja, heel de Aarde mag dan zijn als een stofje op Gods weegschaal, maar God ontfermd Zich wel over alle mensen, dieren en planten op Aarde, opdat wij allen kunnen leven. God wil ons mensen als Zijn kinderen, maar de duivel wil ons als pestkoppen en mensentreiteraars, want dan is hun toekomst, tenzij zij zich bekeren, wellicht de hel. God straft ons mensen met mate, ons herinnerend en waarschuwend aan onze zonden, opdat wij onze boosheid verlaten en trouw blijven aan onze Heer en God en daarom Zijn Geboden onderhouden, dus doen. Dan kunnen wij bidden tot God dat Hij ons Zijn roeping – om een kind van God te worden en te zijn – waardig maakt en al onze goede voornemens en elke daad van ons geloof met macht tot volkomenheid zal brengen, opdat wij ware kinderen van God zullen zijn. Dan Zal God in Jezus Christus ook bij ons komen, niet op bezoek zoals bij Zacheüs en vele andere mensen tijdens Zijn leven op Aarde, maar om voorgoed te wonen in ons hart. En waar God permanent woont in een mensenhart en die mens Gods Geboden onderhoudt, dus doet, dan wordt deze mens door God zelf onderwezen. Wie zich aan deze onderwijzing houdt, dus doet wat God van hem wil, die zal vast en zeker uitgroeien tot een waarachtig kind van God. Want die mensenkind leeft in God en God in hem. Maar die mens heeft dan ook het aardse streven, om iets in de wereld te betekenen, achter zich gelaten, omdat hij enkel de Wil van God wil doen. Anders gezegd; hij wil dat niet alleen hij in God leeft – wat alle mensen en andere schepselen doen, of zij dit nu willen of niet – maar dat God ook permanent in hem woont. Dat hij en God dus onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Kijk, iemand die wereldse eer zoekt, kan dit door inspanning bereiken. Maar wat heeft hij dan bereikt? Tijdelijke roem en eer, maar dat is, op zijn laatst, over bij de lichamelijke dood, want zelfs als zijn naam in de wereld blijft bestaan, heeft hij er niets meer aan, hij immers zit in het hiernamaals, waar aardse eer en roem niet meer telt. Maar wie, zelfs als hij door de wereld verguist wordt, een kind van God is geworden en met Hem mag leven in het hemelse Jeruzalem, blijft hij een levend kind van God, zolang als God bestaat. En aan Gods bestaan zit nooit een einde; God is er altijd, ook nog voor Zijn eerste schepping geweest, is er nu en zal altijd en oneindig blijven bestaan. Wat is dan belangrijker voor elk mens; een korte eer en roem op Aarde, die na de lichamelijke dood verdwijnt, of een oneindig durende kindschap van God. Ik ben van mening dat dit laatste het belangrijkste is wat een mens kan bereiken. Daarom mag er ook veel liefde en inspanning van elk mens gevraagd worden om dit kindschap van God te bereiken. En wie God wil volgen, die zal, mits hij de leidraad van God, diens Geboden, volgt en onderhoud in ieder geval de hemel bereiken. Wellicht ook de hoogste hemel, daar waar God in Jezus Christus met al Zijn ware kinderen woont,  het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom vanaf  heden leven als daadwerkelijke kinderen van God en ervoor bidden dat wij allen daar mogen voortleven in oneindige eeuwigheid, ook in gezelschap van alle mensen, waar wij liefde voor hebben. 

Amen. 

Cor Huizer.









© Cor Huizer 2023
Ontwerp en hosting Maartens automatisering