|
|
Energieplan |
|
|
|
|
Auteur: Cor Huizer U kunt dit energieplan desgewenst downloaden op de pagina Download
De Europese oplossing Een model en plan om in tien jaar over te schakelen
naar een op waterstof gebaseerde
economie. Auteur: Cor Huizer
Het
waarom van de titel, van het gekozen model en van waterstof:
Dit
artikel en plan gaat over het in ongeveer tien jaar veranderen van een
vervuilende, milieu onvriendelijke en ons ecologisch-systeem
vernietigende en ons voortbestaan bedreigende soorten van energie naar
een duurzame en milieu sparende vorm van energie. Volgens de berichten
in de nieuwsgaring moet dit zeker 30 tot 50 jaar duren. Dit is een
misvatting. Het is alleen waar als de energievoorziening wordt
overgelaten aan de krachten van de vrije markt. Maar gestuurd door de
overheid kan het in een veel kortere tijd. Daarom bespreek ik hier een
model, een plan van overgang die slechts een decennium nodig heeft. Een
plan dat technisch haalbaar is, omdat het uitgaat van bestaande
technieken, economisch zeer wenselijk is, omdat het ons uit de huidige
wereldwijde recessie haalt en voor het milieu en voor onze overleving
noodzakelijk is, omdat de huidige methode van energievoorziening onze
aarde vergiftigt. Het gekozen model gaat in eerste instantie uit van een
grote vervuiler, het verkeer. De reden is dat daar reeds van grote
milieuwinst sprake is als de brandstof voor het vervoer werkelijk schoon
wordt. In dit model ga ik, zoals reeds gezegd, uit van reeds bestaande
technieken, alhoewel er met deze technieken ook wel enige nieuwe
toepassingen moeten worden gerealiseerd. Hierdoor kan niemand beweren
dat dit model technisch niet haalbaar is. Het is alleen een kwestie van
willen. Wel moet het omschakelen gebeuren in een groot gebied met veel
mensen omdat het anders te duur wordt. Daarom heb ik ook de titel van de
Europese oplossing mee gegeven. Want Europa, daarmee bedoel ik de
Europese Unie, strekt zich uit van Ierland tot aan Rusland en van de
Noordpool tot in de Middellandse Zee. Bovendien leven er in de EU
ongeveer 400 miljoen mensen die voor het merendeel enige draagkracht
hebben. De financiering zal
zeker geen probleem zijn, temeer daar de economische crisis hiermee zal
verdwijnen.
Schone
energie, opgewekt uit duurzame bronnen als waterstromingen, natuurlijke
heetwater- en stoombronnen, wind en zonne-energie wordt bijna altijd
gewonnen in de vorm van elektriciteit. Bovendien kan op deze wijze bijna
nooit de energie gelijkmatig worden opgewekt en lang niet altijd op de
plaats en het moment van gebruik. Er zal dus een stof moeten zijn
waarmee buffers van energie kunnen worden opgeslagen. Voor dit model heb
ik voor waterstof gekozen. Waarom? Op de eerste plaats is de stof
waaruit waterstof gewonnen wordt, namelijk water, bijna overal volop
aanwezig is. Op de tweede plaats levert het verbruik van waterstof weer
zuiver water op en dus is ook deze tussenvorm van energie volledig
recyclebaar en duurzaam. Er zijn plannen om het energieoverschot uit
IJsland in met elektrolyse gevulde tankers naar Nederland te brengen.
Maar elektrolyse is duur. Met het elektrolyse vanadium gevulde tankers
kunnen wel een gedeelte van de huidige elektrische energie aanvullen,
maar geen vervanging zijn van alle brandstoffen. Dat kan waterstof wél,
zoals ik u in dit artikel zal bewijzen. Daarom kan de overtollige
energie uit IJsland beter in waterstof naar Europa verscheept worden in
plaats van in elektrolyse. Toch zie ik wel enige toepassing voor
elektrolyse, maar alleen in speciale gevallen. Dit zal ik verderop, waar
ik het nodig vind, verder uitwerken en behandelen.
Ook
de vraag naar energie is niet constant. Deze verschilt op de
verschillende uren van de dag, op de verschillende dagen van de week en
al na gelang het seizoen. Daarom is er door alle eeuwen heen een opslag
van energie geweest. Vroeger in de vorm van hout en kolen, die vaak in
de zomer werden aangeschaft om in hoofdzaak pas in de winter te worden
verbruikt. Datzelfde gold voor lampolie in de tijd vóór het algemeen
gebruik van elektra. Natuurlijke energiebronnen zoals de wind voor de
windmolens was niet op te slaan. Het gebruik daarvan was afhankelijk van
het aanbod. Maar wat op te slaan was, werd ook opgeslagen, zodat de
mensen in de periode dat zij het nodig hadden over voldoende energie
beschikten. Ook nu worden oliereserves aangehouden in elk land, opdat er
altijd genoeg zal zijn. Dat wij energie moeten opslaan is dus niets
nieuws. De opslag in de vorm van waterstof wel, maar dat is slechts
hetzelfde met een nieuw soort energie. De opslag van waterstof is ook
niet gevaarlijker dan die van andere energievormen. Waarschijnlijk zelfs
minder gevaarlijk. Want wij beschikken heden over de kennis om gassen
veilig op te slaan. En weliswaar kan waterstof ontploffen, zoals ook
andere brandstoffen dat kunnen, maar er komen geen gevaarlijk en giftige
stoffen vrij. Als waterstof verbrand dan komt er water vrij, óók na
een ongeluk. En in water kunnen wij wel verdrinken, maar het kan ons
niet vergiftigen zoals vervuilende brandstoffen wél kunnen.
Laat
er echter geen misverstand over bestaan dat alleen de overheid op
Europese schaal deze veranderingen kan bewerkstelligen. Zij is de enige
die als taak heeft het algemeen belang te behartigen. En het algemeen
belang is het belang van alle burgers in Europa. Deze burgers zijn
gediend met schone lucht, schoon water en niet vervuilde grond. Zij zijn
gediend met een duurzame en schone energie die niet op raakt. Als Europa
overstapt op waterstof, dan zal de rest van de wereld met zekerheid
volgen. Want zonder enige welvaartsverlies kunnen wij overschakelen,
maar ook de rest van de wereld, inclusief de derde wereldlanden. Sterker
nog, omdat de derde wereldlanden meestal in de tropen liggen kunnen zij
eraan verdienen. Hun import van olie wordt minder, geen vervuiling meer
waar ze zelf olie produceren én volop goedkope en duurzame energie. Tel
uit de winst.
Om
de overgang van een op olie gebaseerde energievoorziening naar een op
waterstof gebaseerde energievoorziening een succes te maken zal er een
explosieve vraag naar waterstof moeten gaan ontstaan. De enige wijze
waarop dit succesvol kan worden is een vraag bij kapitaalkrachtige
mensen te laten ontstaan. Maar deze vraag komt enkel op gang als er
voordeel te behalen valt bij het gebruik van waterstof. Bovendien moet
het waterstof gemakkelijk verkrijgbaar zijn. Daarom heb ik de weg van
het vervoer gekozen. Het vervoer levert een grote bijdrage aan de
wereldwijde vervuiling en daarom is besparing van olie in het verkeer
enkel daarom al interessant. Maar het verkeer en met name het
gemotoriseerde verkeer over de weg is het gevolg van individuele
beslissingen van miljoenen mensen. Daarom zal de overheid van Europa,
met name de Europese Unie, als geheel een aantal maatregelen moeten
nemen om het gebruik van waterstof te stimuleren. Allereerst zullen alle
belastingen op de auto en motor in geheel Europa in de brandstofprijzen
gestopt moeten worden. Diesel zal zwaarder belast moeten worden, omdat
die erg vervuilend is en het meest in vrachtauto=s en bussen wordt
gebruikt en die leveren een grotere bijdrage aan het verslijten van de
wegen. In die landen van Europa, die het gemotoriseerde verkeer laag
belasten zal de belasting omhoog moeten, terwijl andere landen misschien
de totale belasting iets moeten laten zakken, zodat de brandstofprijzen
in aan elkaar grenzende buurlanden niet al te veel verschillen.
Aankoopbelastingen op voertuigen zullen bij ingang van dit systeem terug
gegeven moeten worden, rekening houdend met een reële afschrijving
(bijvoorbeeld 60 maanden) om geen grote prijsverschillen te krijgen
tussen nieuwe auto=s en oudere auto=s. Bovendien wordt zo een kopersstop
vlak voor de invoer van dit systeem voorkomen. Mij lijkt het beste om
dit systeem gelijktijdig op dezelfde datum van een jaar in te voeren.
Tegelijkertijd moet de belasting op waterstof voor voertuigen zodanig
gesteld worden dat de gemiddelde brandstofprijs per afgelegde kilometer
ongeveer de helft tot 60% wordt van die van oliebrandstoffen. Tevens
zullen pomphouders langs snelwegen, langs grote doorgaande routes en bij
grote steden wettelijk verplicht moeten worden om een vulstation voor
waterstof te hebben, zodat de beschikbaarheid van waterstof gegarandeerd
is. Deze mogelijkheid om waterstof te tanken moet zo snel mogelijk voor
en/of na invoer van deze belastingmaatregelen worden gerealiseerd, maar
er moet wel een redelijke termijn vastgesteld worden zodat de plaatsing
van de vulstations ook technisch mogelijk is. Het gevolg van deze
maatregelen zal zijn dat het beroepsvervoer en de veelrijders zo spoedig
mogelijk zullen overstappen op met waterstof aangedreven
vervoermiddelen. En dát is nu juist de kapitaalkrachtige groep die snel
over kán stappen. Hierdoor zal de vraag naar waterstof explosief gaan
toenemen.
De
benodigdheden voor deze nieuwe techniek:
Om
voertuigen lopend op waterstofgas te maken verandert de techniek van de
auto. Waterstof zal verbruikt worden in brandstofcellen die
elektriciteit opwekken, waarmee elektromotoren gevoed worden die voor de
voortbeweging gebruikt worden. Misschien kunnen bestaande benzineauto=s
omgebouwd worden. De precieze techniek laat ik graag aan de ingenieurs
over. Overigs hebben vele autofabrikanten reeds prototypen van
waterstofauto=s zodat de invoer op zeer korte termijn kan plaatsvinden.
De opslag van waterstof in het vervoermiddel vindt plaats in
waterstoftanks. Proeven hebben uitgewezen dat deze zo veilig gemaakt
kunnen worden dat zij zelfs veiliger zijn dan de huidige benzinetanks.
Het is wellicht aan te raden om krachtiger accu=s in deze auto=s te
bouwen dan in de huidige auto=s. De eventuele meer opgewekte energie kan
dan in deze accu=s worden opgeslagen en het voertuig zal misschien zelfs
korte afstanden af kunnen leggen zonder gebruik te maken van waterstof.
De boordcomputer kan de restenergie in de accu berekenen en dan de
brandstofcel of waterstofmotor inschakelen als die noodzakelijk is.
Wellicht kan hier een toepassing zijn voor elektrolyse, omdat die met
minder ruimte en gewicht meer elektriciteit kan vasthouden dan gewone
accu=s.
Zoals
eerder gezegd zijn bijna alle methoden van duurzame energieopwekking het
opwekken van elektriciteit. Alleen het verbranden van hout in een
kachel, het verwarmen van water in de zon, het rechtstreeks aansturen
van assen in een ouderwetse windmolen of het branden van biologische
olie in een lamp zijn vormen van duurzame energie die geen gebruik maken
van elektriciteit. Bijna alle andere wijzen om van duurzame energie
gebruik te maken gaat langs de weg van elektrische opwekking. Drie grote
soorten van duurzame energie zijn waterstromingen, wind en de zon. Van
alle drie de soorten is bekend dat zij niet altijd in dezelfde mate
voorhanden zijn. Stromingen in zee kunnen harder en zachter zijn en bij
gebruik van het verschil tussen eb en vloed is er een omslagmoment
waarin het water niet stroomt. Ook waterstromen op het land kunnen in
intensiviteit verschillen, omdat er een groot verschil is tussen een
droge zomer en een nat voorjaar of najaar. Wind is grillig. De ene keer
is er te weinig wind en de andere keer is er teveel om nuttig te zijn
voor energie opwekking. Het zelfde geldt voor zonne-energie, die
bovendien nog het nadeel heeft dat gedurende een deel van het etmaal de
zon in het geheel niet schijnt. Daar komt nog bij dat water, wind en zon
weliswaar gratis zijn, maar het omzetten in voor ons nuttige energie is
dat niet. Het omzetten vereist kapitaalgoederen die bovendien
onderhouden moeten worden. Energie in duurzame vorm is op aarde in grote
hoeveelheden voorhanden, meer dan wij ooit kunnen gebruiken, maar het is
bijna nooit gratis te gebruiken. Zo is het altijd geweest en dit geldt
ook voor de vervuilende energie, die immers ook gewonnen moet worden en
vaak nog vervoert en bewerkt alvorens het geschikt is voor gebruik.
Wanneer duurzame energie op grote schaal gewonnen wordt dan kan zij qua
kosten zonder twijfel de concurrentie aan met vervuilende energie. Maar
daar zit net het probleem. Omdat wij reeds gewend zijn aan vervuilende
energie en daar nu nog voldoende van hebben komt een grootschalige
productie van schone en duurzame energie niet echt van de grond en
daarom is de duurzame energie nu nog duurder en daarom minder
aantrekkelijk. Daarom ontvouw ik hier een plan voor grootschalige
opwekking en verderop zal ik er ook de financiële dekking voor geven.
Ook hier ga ik uit van bestaande technieken.
Wij
hebben op aarde naast water, wind en zon ook nog andere natuurlijke
hulpbronnen. Ik denk bijvoorbeeld aan de heetwater en stoom bronnen in
bijvoorbeeld IJsland. Deze worden nu reeds benut en als de energie in de
vorm van waterstof gemakkelijk verhandelbaar wordt, dan zal die zeker
nog beter benut gaan worden. Maar er zijn ook waterstromen die wij nog
geheel niet of nauwelijks benutten. Ik bedoel hier de golfstromingen in
de zee mee. Wij kunnen een tunnel leggen van Frankrijk naar Engeland en
zijn ook sterk in onder water technieken. Dan moet het toch ook mogelijk
zijn om daar waar de stroming constant is of nagenoeg constant grote
turbines onder water te bouwen die deze energie af kunnen tappen? Ik
denk hierbij onder andere aan de doorgangen tussen Frankrijk en Engeland
en tussen Engeland en Ierland. Maar zulke stromingen zijn er wellicht
ook elders in de zee. Bovendien weet ik dat er op kleine schaal reeds
experimenten zijn geweest om gebruik te maken van het hier en daar grote
verschil tussen eb en vloed. Turbines in het water plaatsen is een reeds
oude techniek en ik denk dat op deze wijze nog veel energie te winnen
valt.
Windenergie
is een nu reeds bekende soort van duurzame en schone energie. De
windmolens kunnen solitair of in grote en kleine parken opgesteld
worden, zowel op het land alsmede ook in zee. Er is echter weerstand
tegen deze vorm van energieopwekking. Deels terecht en deels ten
onrechte. De weerstand is grof samen te vatten in twee categorieën,
namelijk weerstand tegen het lawaai en de schaduw van de windmolens en
tegen wat men landschapsvervuiling noemt. Lawaai en schaduw is
begrijpelijk als een windmolen in of nabij een wooncentrum wordt
gebouwd. Want het valt niet te ontkennen dat de ronddraaiende wieken een
bepaalde hoeveelheid geluid produceren. Ook valt niet te ontkennen dat
de wisselende schaduwen van de ronddraaiende wieken hinderlijk zijn voor
mensen die daarin zitten. Tegenstand tegen het bouwen van een windmolen
in of vlak bij een woongebied levert terecht kritiek op en de weerstand
is geheel terecht. Wel kan een windmolen gebouwd worden bij een meer
afgelegen boerderij zonder bebouwing in de directe omgeving, mits de
eigenaar en bewoners van die boerderij het niet erg vinden om vlak bij
zo=n windmolen te wonen. Dit kan gebeuren als die windmolen ook eigendom
van de betreffende boer is, die de geringe overlast ter wille van de
winst voor lief neemt. Beter is het echter om de windmolens in het vrije
veld of in zee of in een groot meer te bouwen. Mensen zijn daar soms
tegen omdat dit in hun ogen landschapsvervuiling is. Natuurlijk zal er
rekening moeten worden gehouden met het landschap, maar als men ergens
een industrieel complex wenst neer te zetten of een nieuwe nederzetting
wenst aan te leggen dan houdt men ook geen rekening met
landschapsvervuiling. Ditzelfde geldt voor het bouwen van een toren of
torenflat of zelfs een wolkenkrabber. Ook dat zijn landschapsvervuilende
gebouwen. Maar de bouw gaat gewoon door want de economische noodzaak
en/of voordelen vereisen het. Energieopwekking op een schone en duurzame
wijze is ook een economische noodzaak. Het is bovendien een kwestie van
overleven. Als wij door gaan met het gebruik van vervuilende energie
vergiftigen wij op zodanige wijze onze planeet dat deze op de lange duur
onleefbaar wordt. Duurzame energie is dus niet alleen een kwestie van
zorgvuldig beheer van onze planeet, maar ook een overlevingsnoodzaak.
Daarom vind ik het argument van landschapsvervuiling een onterecht
argument waar weinig of geen aandacht aan moet worden gegeven. Om
voldoende windenergie op te wekken zal ook waar mogelijk windmolenparken
in zee moeten worden gebouwd. Het nieuwste tegenargument is dat grote
windmolenparken in zee klimaatveranderingen aan de kust zullen geven.
Want is het argument, door zoveel windmolens te bouwen gaan de
windrichtingen veranderen en komt er minder wind aan de kust dus wordt
er ook minder regen aangevoerd. Dit kan niet kloppen! Windmolens zoals
wij die momenteel bouwen hebben wieken van maximaal ongeveer 90 meter
lang. Zelfs al wordt rekening gehouden met een veilige doorloopruimte
van ongeveer 10 meter, dan komt het hoogste punt van de wiek op ongeveer
tweehonderd meter boven de waterlijn. Wolken met regen zweven daarboven
uit. Zeker zal op grondniveau er minder en/of veranderde wind zijn zoals
ook de golven minder en/of anders op de kust beuken als er golfbrekers
zijn. Maar met een ander klimaat heeft dit niets te maken. Regenwolken
gaan gewoon over de molens heen. En zelfs al zou dit het klimaat
enigszins wijzigen, deze wijziging is zeker kleiner dan heden met het
vergiftigen van onze atmosfeer.
Om
voldoende windenergie op te wekken zal de overheid en wel op Europese
schaal de opwekking van energie door middel van windmolens actief moeten
sturen en stimuleren. Allereerst zullen de belemmeringen om een
windmolen op te richten zoveel mogelijk moeten verdwijnen.
Landschapsvervuiling mag geen reden meer zijn om een vergunning voor een
windmolen te weigeren. Alleen daar waar door de windmolen echte overlast
wordt veroorzaakt moet nog een vergunning geweigerd kunnen worden.
Hierdoor kunnen vele particulieren en bedrijven windmolens oprichten
waar het nu nog niet mag. Bovendien zal de overheid moeten zoeken naar
plekken waar grote windmolenparken kunnen verrijzen. Waar dus gemiddeld
over het hele jaar voldoende bruikbare wind is en de windmolens geen
overlast aan de mensen bezorgen, noch een gevaar zijn voor de natuur.
Alhoewel overvliegende vogels wellicht door een bepaalde tekening op de
wieken voor het gevaar gewaarschuwd kunnen worden. Voor glaswanden zijn
de silhouetten van roofvogels voldoende om meestal te voorkomen dat
vogels tegen deze wanden opvliegen. Misschien valt er voor de wieken van
windmolens ook wel iets te bedenken met hetzelfde resultaat. Voor
Nederland ligt het voor de hand dat er grote windmolenparken in zee
worden gebouwd. Er kunnen daar vele duizenden windmolens worden
geplaatst. De overheid zal hierin het voortouw moeten nemen en voor deze
windmolenparken de windmolens bestellen. Hierdoor kan er een
massafabricage van windmolens op gang komen die de prijs per windmolen
kan doen dalen. Zeker als alle Europese landen hier aan mee doen.
Windmolens moeten onderhouden worden. Windmolenparken en zeker
windmolenparken in zee kunnen het beste door gespecialiseerde bedrijven
onderhouden worden, ook als de windmolens in de parken verschillende
eigenaren hebben. Daarom zou de overheid wel het initiatief moeten nemen
om deze parken te bestellen en te plaatsen en een bedrijf
verantwoordelijk te laten zijn voor het onderhoud. Zij hoeft natuurlijk
niet het park geheel zelf te betalen. De molens in het park kunnen
genummerd worden en per molen verkocht aan particulieren, bedrijven of
beleggingsmaatschappijen. De koopsom is de molen inclusief plaatsen. De
belegger wordt jaarlijks afgerekend, met eventuele voorschotten om
maandelijkse basis. De door de betreffende molen opgewekte energie maal
de energieprijs minus de onderhoudskosten aan de molen en minus de
afschrijving vormt het resultaat voor de belegger. Het onderhoud bestaat
uit een deel van het reguliere onderhoud voor het gehele park en
speciaal onderhoud aan de betreffende molen. De afschrijvingstermijn
dient voor alle bezitters van deze molens uniform door de overheid
vastgelegd te worden, dus inclusief voor de molens die van de overheid
zelf zijn. Hierdoor is er geen concurrentievervalsing mogelijk door veel
te lange afschrijvingstermijnen. Als de afschrijvingstermijn
conservatief wordt ingeschat zullen de molens waarschijnlijk nog vele
jaren doordraaien nadat zij zijn afgeschreven en ruimschoots rendement
opleveren voor de eigenaren. Hierdoor zal de overheid uiteindelijk
waarschijnlijk slechts weinig zelf hoeven te investeren.
Zonne-energie
is weer een ander verhaal. Bij deze beschouwing laat ik de systemen van
zonne-energie die rechtstreeks water verwarmen buiten beschouwing. Als
ik spreek over zonne-energie zijn dat, in passieve vorm, altijd de
zonnecellen die elektriciteit opwekken. Zonnecellen zijn in eerste
instantie ontwikkeld voor de ruimtevaart. Zij worden ook nu reeds in een
groot aantal gevallen toegepast in onze wereld. Zij zijn echter nog
steeds relatief duur. Wanneer de zonnecellen echter in fabrieken
geproduceerd worden van een capaciteit van minimaal vijf miljoen
vierkante meter (m5) per
jaar dan, hebben bedrijven ons verzekerd, kunnen de productiekosten met
80% omlaag. Enkel al op daken van overheidsgebouwen en langs wegen met
geluidsschermen kunnen er in Europa al enkele miljarden m5 geplaatst
worden. De overheid alleen al kan zoveel bestellen dat de producenten
dat in geen jaren kunnen leveren. En hierin schuilt een gevaar. Want als
de vraag groter is dan het aanbod dan gaat volgens de markttheorieën de
prijs omhoog. Er dreigt dus het gevaar dat de fabrikanten zeer hoge
winsten maken, maar de zonnecellen voor de particuliere markt nog vele
jaren onbetaalbaar blijven. En dat terwijl voor het omschakelen naar een
waterstof economie vele miljarden m5 aan zonnepanelen óók in de
private sector noodzakelijk zijn. Daarom moet de overheid op Europese
schaal sturend worden. Niet alleen door een maximale prijs aan
zonnecellen te binden, omdat dat een reden voor producenten kan zijn om
helemaal niet te produceren. Nee de overheid zal zelf een fabriek voor
zonnecellen moeten oprichten met een minimale capaciteit van 10 miljoen
m5 per jaar. Daarna zal zij deze zonnecellen met een redelijke winst
moeten gaan verkopen, waarbij zij niet alleen de prijs af fabriek dient
vast te leggen, maar ook de uiteindelijke maximale consumentenprijs.
Goedkoper verkopen mag wel, maar niet duurder dan de voor deze fabriek
geldende prijs. Gestreefd moet worden naar een prijs die slechts enkele
tientallen procenten duurder is dan traditionele dakbedekking, zoals
dakpannen. Hierdoor wordt zij prijsbepalend voor de gehele industrie van
zonnecellen. Daarnaast kan aan het particuliere bedrijfsleven een afname
garantie gegeven worden voor alle zonnecellen die binnen het Europa van
de EU zijn geproduceerd voor een periode van tien jaar. Natuurlijk tegen
een prijs die lager ligt dan op de particuliere markt, maar nog wel
winstgevend is. De particuliere fabrikanten lopen geen
ondernemingsrisico en de productie van zonnecellen zal explosief
toenemen. Met de onder garantie gekochte zonnecellen kunnen de daken van
overheidsgebouwen nuttig worden gemaakt en als de particuliere bedrijven
het overheidsbeleid willen frustreren, door de hele productie aan de
overheid te leveren onder de afname garantie, kunnen bovendien de
goedkoper ingekochte zonnecellen op de particuliere markt met winst
verkocht worden. Ook kan de eerste tien jaar de import van zonnecellen
invoerrechtenvrij worden gemaakt. Omdat er zoveel miljarden m5
noodzakelijk zijn kán er geen overspoeling van de markt komen.
Bovendien zal de rest van de wereld ook van de goedkopere zonnecellen
willen profiteren, dus er kan voorlopig niet genoeg gemaakt worden.
Omzetting
in en opslag en vervoer van waterstof:
Voor
al deze methoden van opwekking van duurzame energie geldt dat het
gebruik niet geheel synchroon loopt met de opwekking. De energie zal dus
moeten worden opgeslagen in waterstof die onder de juiste condities
langdurig bewaart kan worden. Daarbij komt dat niet alle energie zal
worden opgewekt waar het uiteindelijk zal worden gebruikt. De meeste
energie wordt gebruikt in stedelijke gebieden, terwijl de opwekking van
de meeste energie in meer afgelegen plaatsen wordt bereikt. Wel zal ook
in stedelijke gebieden energie worden opgewekt door middel van
zonnecellen, maar het merendeel zal buiten de stedelijke gebieden worden
opgewekt. Alle duurzame energie waar ik het hier over heb wordt opgewekt
in de vorm van elektriciteit. Het bewaren van die energie moet gebeuren
in de vorm van waterstof. De energie zal dus in de bewaarvorm moeten
worden omgezet. Het waterstof moet worden opgeslagen en vervoert naar
waar het gebruikt zal worden. Op de plaats van gebruik zal het waterstof
meestal weer moeten omgezet in elektriciteit. Wanneer grote
windmolenparken niet te ver bij een grote stad of industrieel complex
met grote energiebehoefte vandaan staat, dan kan een gedeelte direct aan
het elektriciteitsnet geleverd worden en verbruikt. Een gedeelte echter
niet. Want niet alleen de opwekking van duurzame energie is grillig, dat
is ook het verbruik. Er zal dus altijd sprake zijn van omzetting naar
waterstof en opslag daarvan.
De
omzetting naar waterstof is in feite een zeer eenvoudig proces. Men
hangt simpel gezegd twee elektroden aan tegenover elkaar gesitueerde
zijden in een bak met water en jaagt daar elektrische stroom doorheen.
Aan de ene kant zal waterstof omhoog borrelen en aan de andere kant
zuurstof. Zo simpel is het. In een industriële toepassing is het iets
meer gecompliceerd, maar het is een bekende en relatief eenvoudige
toepassing. Er kan zelfs een automaat gebouwd worden om dit op kleine
schaal te doen. Maar dat iedere particulier zijn eigen opgewekte energie
omzet is niet noodzakelijk en/of wenselijk. Want bij onoordeelkundig
gebruik kan waterstof gevaarlijk zijn. Denk daarbij eens aan de
Hindenburg, het grote luchtschip die bij het aanmeren in New York in
seconden verloren ging. Alhoewel ik begrepen heb dat dit meer te maken
had met een combinatie van statische elektriciteit en een zeer
brandgevaarlijke verflaag. Doordat de huid van het luchtschip vlam vatte
en door de hitte en het doorbranden van de stof werd ook het waterstof
aangestoken met de bekende dramatische gevolgen. Deze fouten kunnen nu
natuurlijk vermeden worden maar toch, zeker is zeker. In de meeste
gevallen kan de omzetting van elektriciteit naar waterstof het beste
overgelaten worden aan mensen die weten wat zij moeten doen bij het
haperen van de apparatuur. Bij windmolenparken zal deze omzetting op
grote schaal moeten plaatsvinden. Maar ook bij dorpen en steden kan men
het beste de overtollige elektrische energie verzamelen en verwerken tot
waterstof. Alleen bij afgelegen boerderijen en andere afgelegen plekken
kan men de energie dan met behulp van een automaat zelf in waterstof
omzetten.
Waterstof
moet ook worden opgeslagen. Dat kan in de reeds behandelde gastanks voor
auto=s, maar ook in losse gastanks voor ander gebruik. Het kan ook in
grote gastanks, zoals nu ook propaangas of butagas wordt opgeslagen.
Vroeger werd stadsgas die uit cokes werd gewonnen bij dorpen en steden
in hele grote gastanks opgeslagen. Deze tanks waren over het algemeen
niet helemaal gasdicht waardoor er na afbraak vaak nog een
schoonmaakactie nodig was om de grond van de chemische resten te
zuiveren. Tegenwoordig beschikken wij wel degelijk over technieken om
gas ook werkelijk gasdicht op te slaan. Toch is het aan te raden om
waterstofgas in gas vorm of vloeibaar in hele grote gastanks op te slaan
en dit ook te doen in de omgeving van steden en/of dorpen. Het waarom is
duidelijk en wel omdat alle energie duurzaam moet worden, dus ook wat
wij in huis gebruiken. Hier kom ik op terug. Het vervoer van waterstof
kan op dezelfde wijze zoals nu reeds het vervoer van andere gassen
gebeurt. Het kan over water vervoerd worden per schip, met de spoorwegen
en over de weg in vrachtauto=s. Bovendien kunnen bestaande en nieuwe
pijpleidingen waterstofgas goedkoop en veilig vervoeren. Al dit soort
vervoer gebeurt nu ook al en is eigenlijk niets bijzonders.
Vraag
naar en toepassingen van waterstof in industrie en huishoudens:
Ook
deze vraag ontstaat niet vanzelf maar moet gestimuleerd worden. Voor de
industrie kan dat gebeuren door waterstofgas goedkoper te maken dan
andere vormen van energie. Niet door het waterstofgas onder de kostprijs
te verkopen, maar door de vervuilende soorten van energie zwaarder te
gaan belasten. Natuurlijk kan in een overgangsfase
elektriciteitscentrales ook geschikt worden gemaakt voor het verbranden
van waterstof, maar gezien de verdere plannen van decentrale
energieopwekking moet dat als tijdelijk worden gezien. Voor huishoudens
zal moeten gelden dat bijvoorbeeld het nu geleverde aardgas wordt
afgesloten en dat daarvoor in de plaats waterstofgas wordt geleverd. Dan
kan in fasen gebeuren, zoals de overschakeling van stadsgas naar aardgas
in de jaren 60 van de vorige eeuw in Nederland ook stapsgewijze heeft
plaatsgevonden. Omdat waterstofgas te gevaarlijk is om in open vuur te
gebruiken, zullen een aantal gebruiksvoorwerpen in het huishouden moeten
verdwijnen. Alle geisers zullen door boilers moeten worden vervangen en
alle gas kooktoestellen zullen moeten worden vervangen door kookplaten
voor elektra. De moderne verwarmingsketels, die met afgesloten vuur
werken zullen moeten worden omgebouwd voor waterstof en alle
verwarmingsketels met open vuur moeten worden vervangen. Gashaarden
kunnen worden vervangen door op haarden lijkende toestellen met een
modulair opgebouwde brandstofcel ingebouwd, elektrisch namaakvuur en
elektrische verwarmingselementen. Deze brandstofcellen, die waterstof
omzet in elektra, kunnen dan ook de energievoorziening voor de rest van
de woning verzorgen. Ook kunnen woningen geheel met elektrische
verwarmingselementen verwarmd worden en daarvoor de energie bijvoorbeeld
in een modulair opgebouwde brandstofcel opwekken. Modulair opgebouwde
brandstofcellen, omdat het verbruik van energie schommelt gedurende de
dag en gedurende de seizoenen. Door de brandstofcel modulair te maken
kan telkens ongeveer genoeg energie worden opgewekt. Eventueel aangevuld
met een accu voor die momenten dat er nauwelijks energie wordt gebruikt.
Maar dat kan natuurlijk ook door aanvoer van buiten door het
elektriciteitsnetwerk. Voor flatgebouwen of waar de inwoners door
armoede brandstofcellen niet kunnen betalen kan ook plaatselijk centraal
waterstof in elektrische energie worden omgezet voor meerdere
huishoudens. Niet iedereen hoeft dus een brandstofcel in huis te hebben.
Wel zal iedereen die energie opwekt, ongeacht of het nu met een
brandstofcel is of met zonnecellen op het dak, een dubbele elektra
energiemeter moeten hebben. Namelijk die de inkomende elektra meet en de
uitgaande elektra apart meet. De inkomende elektra zal iets duurder zijn
dan de uitgaande vanwege de bijdrage aan het elektriciteitsnetwerk. De
verschillen mogen echter niet zo groot zijn dat zelf opwekken van
energie niet meer lonend zou zijn. De elektrische verwarming kan
geschieden door vloerverwarming, vaste verwarmingselementen aan de
muren, losse elektrische kachels die in de zomer uit zicht kunnen worden
gezet en elektrische haarden met namaakvuur al of niet geschikt om de
gehele ruimte te verwarmen. Ook nu zijn cel-haarden en elektrische
haarden met namaakvuur zeer gewild, omdat mensen graag een vuurtje in
huis zien, al is het enkel maar voor de gezelligheid.
In
gebieden zoals Nederland waar het aardgas aan huis wordt geleverd kan de
overheid door het afsluiten van het aardgas eenvoudig de burgers dwingen
om op waterstof energie over te stappen. Dat geldt ook gedeeltelijk voor
het bedrijfsleven, die nu ook afhankelijk is van aardgaslevering. Daar
is niets mis mee, omdat wij voor onze toekomst en voor ons overleven wel
op duurzame energie moeten overstappen. Alleen zal voor de allerarmsten
een subsidie regeling moeten komen die hen helpt om op de nieuwe vorm
van energie over te stappen. Niet iedereen heeft het geld liggen om het
gaskomfoor te vervangen door een elektrische kookplaat en de benodigde
nieuwe elektragroep ervoor aan te laten leggen. Soms is daarbij hulp van
de overheid nodig. De benodigde gelden kunnen onder andere gevonden
worden in het afschaffen van de milieusubsidies, die nu niet meer
noodzakelijk zijn. Iets ingewikkelder ligt het in die gebieden waar geen
gas wordt geleverd, maar de mensen voor ruimte verwarming nog
afhankelijk zijn van kolen of olie. Vaak worden in die streken
gewoonlijk reeds op elektra gekookt, dus daar komt geen verandering in.
Maar ook de ruimte verwarming zal moeten over schakelen op duurzame
energie. Daarom heb ik het stoken op hout hier buiten gelaten, omdat dit
een duurzame energie is. Maar waar in dorpen en steden nog hoofdzakelijk
op olie of kolen wordt gestookt kan de overheid door het aanleggen van
plaatselijke leidingen het waterstofgas ook naar die woningen brengen.
In bergachtige gebieden, of gebieden met een rotsachtige ondergrond kan
dit problemen opleveren. Maar in die gebieden lopen vaak wel al
rioleringen en worden de elektrische leidingen en telefoonleidingen
onder de grond naar de woningen gevoerd. Dan kan er ook een gasleiding
worden aangelegd. Als dan vervolgens de stookolie en kolen zodanig
worden belast dat waterstof veel goedkoper is, dan zullen mensen
overstappen op waterstofgas. Zoals na de aanleg van het aardgas het
slechts een gering aantal jaren heeft geduurd dat mensen nog op kolen
stookten. Het gemak van het aardgas won het en ongeveer tien jaar na
deze aanleg was er in Nederland bijna geen kolenboer meer te vinden.
Door belastingmaatregelen kan de overstap naar waterstof sneller gaan.
Voor de meer afgelegen boerderijen zal dan de oplossing voor de dure
stookolie een grote waterstoftank zijn. Zij slaan de olie reeds op in
tanks en die worden zo nodig bijgevuld. Waterstoftanks kunnen veilig en
gemakkelijk de plaats van olietanks innemen.
Ondanks
alle inspanningen, de vele waterkrachtcentrales, windmolens en miljarden
m5 zonnecellen moeten wij niet de illusie hebben dat Europa alle te
verbruiken energie zelf kan opwekken. Europa is een grootverbruiker en
de hoeveelheid benodigde energie zal alleen maar toenemen, omdat
bezitters van zonnecellen de door hen opgewekte energie als bijna gratis
zullen gaan zien. Daardoor zal er veel gemakkelijker met energie worden
omgegaan dan nu en dat zal leiden tot een wezenlijke stijging in het
verbruik. Kijk hiervoor naar de Verenigde Staten waar de energiekosten
lager zijn dan in Europa. Daar wordt aanzienlijk meer energie verbruikt
dan hier. Daarom zal Europa waarschijnlijk een netto importeur van
waterstofgas worden. Dat is niet erg, want wij zijn nu een netto
importeur van olie en dat werkt ook. Daar komt nog bij dat de benodigde
hoeveelheid te importeren waterstofgas slechts een fractie is van de
huidige olie- en gas stroom, omdat wij de meeste energie zelf opwekken.
Bovendien zijn de landen rond de tropen beter geschikt om door middel
van de zon energie op te wekken, terwijl dank zij de klimatologische
omstandigheden het verbruik van energie lager kan zijn dan in het
noordelijk halfrond. Maar Europa zal niet moeten zitten afwachten of er
een stroom waterstofgas onze kant op komt. Zij zal zelf actief moeten
zijn. Zij zal mensen en landen op een idee moeten brengen, wat ook een
overvloedige stroom aan waterstofgas op kan leveren. Een goede methode
daarbij en bovendien een echte ontwikkelingshulp is het opwekken van een
bepaald soort zonne-energie in bijvoorbeeld een Sahara land bij de
Atlantische oceaan. Hierbij ga ik uit van een reeds tientallen jaren
bestaande techniek. Namelijk door daar op kosten van de Europese Unie
torens te laten bouwen die beschenen worden door de in spiegels
gereflecteerde zon. Hierdoor ontstaat er een hoge temperatuur die
opgepompt water in stoom veranderd. Deze stoom kan door een turbine
worden geleid en elektriciteit opwekken. De afgewerkte stoom kan na
condenseren voor mens, dier en bevloeiing van het land worden gebruikt.
Het opgepompte water is natuurlijk zeewater en behalve stoom en daardoor
zoet water blijft er zout over. Wanneer een gedeelte van de opgewekte
energie wordt gebruikt om ook gedurende de nacht water tot stoom te
verhitten, dan heeft dat als voordeel dat er minder tijd voor opstarten
overdag nodig is en er is een constante stroom van zoet water. Veel
extra energie kost het niet omdat anders de elektriciteitsopwekking
gedurende de nachtelijke uren had stil gelegen en die gaat nu dag en
nacht door. Met het gewonnen zoete water kunnen mensen voorzien worden
van dit levensnoodzakelijke vocht. Landerijen worden bevloeid en bossen
aangelegd. Het is aan te raden om de landerijen te omzomen met
struikgewas en/of bomen. Niet alleen zal de schaduw van deze gewassen
een te erge verdamping van water in open greppels, sloten en kanalen
tegen gaan, maar zij houdt ook de woestijnwinden tegen en houden door
hun diep wortelende wortels het wegvloeien van regenwater tegen. Deze
bomen kunnen natuurlijk vruchtbomen of andere nuttige beplanting zijn.
Ook zal er hier en daar op strategische plekken bossen met vele soorten
bomen moeten worden aangelegd om de woestijn terug te kunnen dringen.
Deze bossen hebben als voordeel dat het land na enkele tientallen jaren
kostbaar hout kan oogsten. Voor de gehele wereld heeft het als voordeel
dat meer broeikasgassen in hout worden opgeslagen. Bovendien zullen de
oerbossen minder hoeven te worden gekapt voor de houtbehoefte. Hoe meer
bossen dus hoe beter. Om te voorkomen dat de mensen van dat land, op
zoek naar brandstof om hun eten te bereiden, de net aangeplante bossen
weer kappen, zal iedereen de beschikking moeten krijgen over elektra en
een elektrisch kooktoestel. Aan de allerarmsten zal dit gratis ter
beschikking moeten worden gesteld, inclusief een hoeveelheid elektrische
energie per periode. De Europese Unie ontvangt een gedeelte van de
investering terug, doordat zij zonder verdere kosten het overschot aan
energie ter beschikking krijgen. Die kunnen zij als waterstof naar
Europa vervoeren óf er plaatselijk siliciumplaten van maken voor het
vervaardigen van zonne-cellen. Zand is daar genoeg en het kan de mensen
daar een goede extra werkgelegenheid opleveren. Dit is dus goede en
goedkope ontwikkelingshulp die het betreffende land en haar inwoners écht
helpt. Maar het neven effect is voor Europa veel belangrijker. Want zie,
de oliestaten in het Midden-Oosten zullen bij een serieuze omschakeling
van olie naar waterstof hun olie inkomsten mis gaan lopen. Er is op een
gegeven moment gewoon geen vraag meer naar, na een periode van sterk
afnemende vraag. Zij allen hebben zon genoeg en veel woestijnland. Zij
zijn ook aan zeeën gelegen. Bovendien hebben zij geld genoeg om deze
techniek zelf te betalen. Zij kunnen dus én hun eigen landen van
woestijnen omvormen in vruchtbare gronden én een netto leverancier van
energie blijven. Natuurlijk geldt dit ook voor andere landen met een
gebrek aan zoet water, veel zon en gelegen aan een zee. Het gevolg is
minder woestijnen in de wereld, dus meer teelt van nuttige gewassen en
een overvloed aan waterstof op de wereldmarkt. Waterstof die, omdat die
overal vandaan komt, niet als een politiek drukmiddel gebruikt kan
worden, in tegenstelling tot de olie van heden.
Om
over te schakelen op een waterstof economie zullen ook alle middelen van
vervoer hierop over moeten schakelen. Daarom wil ik ze allen onder de
loep nemen. De motoren van vliegtuigen zullen zeker omgebouwd kunnen
worden op waterstof. Als raketten kunnen vliegen op waterstof, waarom
dan geen straalvliegtuigen? Dit zal zeker mogelijk zijn. De nu in de
vleugels opgeslagen brandstof kan ook door waterstof vervangen worden.
Hier lijkt mij geen enkel probleem. De technieken die er voor nodig zijn
worden reeds in de raketbouw toegepast en die kunnen dus ook aangepast
worden voor de vliegtuigen. Er zijn ook kleinere vliegtuigen die een
voorstuwing hebben met propellers evenals helikopters die met behulp van
wentelwieken hun opwaartse en voorwaartse stuwing hebben. Een aantal
jaren geleden is er in Australië een gasmotor ontwikkeld met een beter
rendement dan de huidige motoren. Ik denk dat die motor geschikt gemaakt
kan worden voor kleine vliegtuigjes en helikopters. Maar misschien
kunnen ook de bestaande motoren geschikt gemaakt worden voor waterstof.
Het scheepvaartverkeer is weer een ander verhaal. De grote zeeschepen
lopen nu grotendeels op olie, hoewel er ook schepen zijn met
gasturbines. Gasturbines zullen zeker geschikt gemaakt kunnen worden
voor waterstofgas. Maar het kan misschien ook anders. Er zijn momenteel
plannen om een soort drijvende stad te bouwen van ongeveer anderhalve
kilometer lang en een halve kilometer breed. Dit gevaarte zal als de
plannen doorgaan niet gebouwd worden op een werf of in een droogdok,
maar opgebouwd worden uit standaard elementen die vervolgens aan elkaar
gezet worden. De bedoeling is dat dit schip langzaam langs de kusten
vaart en dat de bewoners, want de bedoeling is een permanente bewoning,
wanneer zij dat wensen met kleine scheepjes ergens aan wal gaan en
enkele uren tot dagen later weer terug naar deze drijvende stad varen.
Over de energievoorziening voor deze stad is men in het vage gebleven.
Voor deze stad is duurzame energie ideaal. Want aannemend dat deze stad
steeds daar verblijft waar het weer het aangenaamst is, dus de zomer
achterna vaart, kunnen twee eerder beschreven torens met hun spiegels
waarschijnlijk voldoende energie voor deze gehele stad opwekken,
inclusief de aandrijving ervan en bovendien op deze wijze voldoende
water destilleren voor alle opvarenden. Maar om deze reden haal ik dit
niet aan. Het gaat mij om de aandrijving. Deze moet plaats vinden door
ongeveer honderd elektromotoren die onder aan de platte domen zijn
bevestigd. Doordat deze 360 graden kunnen draaien en door een computer
gecoördineerd worden is de wendbaarheid van dit reusachtige vaartuig
vele malen groter en de remweg vele malen kleiner dan die van een veel
kleinere supertanker. Is dat misschien de voortstuwing voor de
zeeschepen van de toekomst? Door met waterstof voldoende energie op te
wekken kunnen de motoren van energie worden voorzien en door hun
mogelijkheid van draaien de schepen zeer wendbaar maken. Voor kleinere
schepen lijkt mij elektrische voortstuwing wel de toekomst. In jachten
en binnenvaartschepen kan elektriciteit worden opgewekt en daarmee de
elektromotoren voor de voortstuwing gevoed. Kleine bootjes met
buitenboordmotoren kunnen ook over stappen op elektrische
buitenboordmotoren. De zwaardere motoren misschien ondersteund door een
brandstofcel, maar de kleinere motoren op een accu. Om snelheid en
uithoudingsvermogen van deze motoren te bevorderen kan misschien gebruik
gemaakt worden van een vanadium accu. Enkele jaren geleden heeft TNO
uitgevonden dat een honderd kilo zware vanadium accu een auto een bereik
van ongeveer 400 kilometer zou geven. Zo zwaar hoeft een accu voor een
buitenboordmotor niet te zijn, maar met hetzelfde gewicht kan wel veel
meer energie meegenomen worden dan met een traditionele accu. Hierdoor
kunnen bijvoorbeeld ook scooters elektrisch worden zonder brandstofcel,
maar met een vanadium accu die een grote afstand en een behoorlijke
snelheid kan verzorgen. Vooral als deze accu=s niet alleen thuis aan een
stopcontact kunnen worden gehangen, maar dat er ook onderweg bij hotels,
campings, tankstations en dergelijke mogelijkheden zijn voor opladen van
de accu. Zware motoren kunnen misschien uitgerust worden met een
brandstofcel, maar zij kunnen ook uit het straatbeeld verdwijnen. Net
als jachten zouden ook caravans in de toekomst uitgerust kunnen worden
met een brandstofcel, zodat er voldoende stroom is om ook op vakantie
elektrisch te koken en het gemak van een normale elektriciteit
aansluiting te hebben óók als buiten een camping wordt overnacht. Wat
voor caravans en jachten geldt is natuurlijk ook van toepassing op
afgelegen vakantie woningen of hutten. Voor alle drie geldt dat een
grote vanadium accu belangrijk kan zijn om een teveel aan energie op te
vangen en als tussen medium als er een keer nauwelijks energie gebruikt
wordt. Een computer kan dan automatisch de brandstofcel opstarten als
het energieniveau van de accu te laag wordt. Omdat elektriciteit
plaatselijk wordt opgewekt en welke hoeveelheid dan ook geen probleem
meer is, kunnen zelfs tenten in de toekomst een zo zware aansluiting
krijgen dat ook tentkampeerders elektrisch kunnen koken en in voor- en
naseizoen hun tent elektrisch verwarmen. Als waterstofauto=s zouden
worden uitgerust met een 230 volt stopcontact, misschien zelfs vanuit
hun eigen auto. Treinen lopen nu vaak op elektriciteitsdraden boven of
langs de rails. Maar waarom zouden treinen in de toekomst niet uitgerust
kunnen worden met brandstofcellen en hun eigen energiebron meenemen?
Eventueel in combinatie met vanadium accu=s voor als zij een lange
tunnel door moeten, waar uitstoot van water minder wenselijk is. Doordat
energie decentraal wordt opgewekt en gebruikt zijn de
hoogspanningsmasten overbodig geworden. De elektrische netwerken
opereren hoofdzakelijk plaatselijk en hoeven met minder zware leidingen
aan elkaar gekoppeld te worden dan nu dat de meeste energie centraal
wordt opgewekt en vervolgens over grote afstanden als elektrische
energie vervoert. Goedkoper en veiliger is het vervoer van waterstof dan
van elektrische energie. Goedkoper omdat daar waar gasnetten bestaan
deze gebruikt kunnen worden voor de aanvoer van waterstofgas zonder enig
noemenswaardig energieverlies, wat bij hoogspanningsleidingen niet het
geval is. Ook veiliger omdat hoogspanningsmasten magnetische stralingen
produceren die niet gezond is voor mens en dier. Hier kunnen wij dus
sparen op de kosten. Zoals u ziet is voor elke toepassing waterstof een
goed alternatief.
Een
oud Nederlands spreekwoord zegt: De kost gaat voor de baat uit. Dat is
ook in dit geval de waarheid. De meeste kosten worden gedragen door
investeringen van bedrijven en particulieren, maar de overheid zal als
initiator toch ook aanzienlijke opstartkosten hebben. Over de
financiering door de particulieren heb ik hier niet over, particulieren
en bedrijven investeren over het algemeen alleen als het wat op levert.
Hier heb ik het over de financiering door de overheid, dus de
financiering uit de algemene middelen opgebracht door het gehele volk
door middel van belastingen. Dat de overheid kosten heeft is niet erg,
omdat deze kosten als een investering in de toekomst moeten worden
gezien en bovendien renderend zijn. Elke Euro die de overheden in de
Europese Unie hieraan besteden komt in een redelijke termijn dubbel en
dwars terug. Want waar moet de overheid in investeren? Allereerst in
beleidsmaatregelen uitmondend in wet- en regelgeving, maar dat is hun
gewone werk. In voorlichting aan de bevolking van wat de bedoeling is.
In windmolens, maar die leveren energie op en dat geld is dus renderend.
Gezamenlijk met andere overheden in Europa in een fabriek voor het
vervaardigen van zonnecellen, maar ook die is renderend. Vervolgens in
de ombouw naar waterstof opslag en levering. Veel van de benodigde
infrastructuur is hiervoor reeds aanwezig. Denk bijvoorbeeld eens aan
het aardgasnet welke ook voor waterstofgas gebruikt kan worden. Wel
moeten er volgens dit plan overal opslagplaatsen gebouwd worden voor
waterstofgas, maar de kosten daarvan kunnen worden verhaald op de
afnemers van het waterstof door deze kosten in de prijs van het
waterstof te stoppen. Bovendien kan opslag en levering van waterstof ook
uitbesteed worden aan particuliere bedrijven, mits de consumptieprijs
voor waterstof en geleverde en afgenomen elektra maar in de hand
gehouden wordt door de overheid, zodat er geen woekerwinsten ten koste
van de bevolking gemaakt kunnen worden. Verder de ombouw van het
aardgasnet voor waterstof of in andere landen van Europa de aanleg van
plaatselijke gasnetten. Hierbij zal waar nodig de particuliere ombouw
van geisers naar boilers, van gaskomforen naar elektrisch koken en de
verandering in de ruimteverwarming, inclusief de uitbreiding van het
elektriciteitsnet in de woningen van minder draagkrachtigen een subsidie
gegeven moeten worden. Wie voldoende inkomen en/of vermogen heeft kan
dit zelf betalen. Ook de gasleidingen in de woningen zullen moeten
worden aangepast, zodat het waterstofgas alleen daar kan komen waar
goedgekeurde toestellen staan voor een veilig verbruik van waterstof.
Voor sommige woningen en in een aantal gevallen kan dat een afsluiting
van gas betekenen. Bijvoorbeeld flatwoningen waar er een centrale
ruimteverwarming is en er enkel gas naar de woning wordt toegevoerd om
op te koken. Opwekking van elektrische energie is dan vaak niet
wenselijk omdat dit beter en goedkoper gezamenlijk kan geschieden en
voor het koken is er ook geen gas meer mogelijk, daar waterstofgas niet
echt veilig in open vuur gebruikt kan worden. In dat geval zal toegang
tot het gas moeten worden afgesloten door een overheidsmaatregel.
Subsidies en aanpassing in het voorzieningen systeem kosten de overheid
geld. Al was het alleen maar omdat de overheid het moet organiseren en
daar menskracht voor nodig heeft. Maar ook het voorlichten van de
bevolking, buurtvergaderingen om vragen te beantwoorden en een hulplijn
voor vragen van burgers kosten geld en menskracht. Ook het enthousiast
maken, voorlichten en op gang brengen van waterstof productie buiten
Europa kost geld, maar is noodzakelijk om een voldoende stroom van
waterstof op gang te brengen. Het geld komt terug aan redelijk goedkope
energie, renderende windmolens en zonnecellen fabriek, hogere accijns op
vervuilende brandstoffen en aan een op gang gebrachte hoogconjunctuur
die meer belastingopbrengsten genereert en minder sociale uitkeringen
noodzakelijk maken. Bovendien zullen minder mensen ernstig ziek worden
door de vergiftiging van de atmosfeer, waardoor ook op de kosten van
ziekte bespaard zal worden.
Maar
de landen in Europa moeten het geld wel voorschieten. De meeste landen
hebben reeds schulden opgebouwd in het verleden en hebben het geld voor
deze omwenteling op energiegebied niet liggen. Daarom stel ik voor dat
de Europese landen in het kader van het stabiliteitspact voor de Euro
10% meer mogen lenen. Hun staatsschuld ten opzichte van het BNP dus
tijdelijk 10% mogen laten stijgen. Hierdoor hebben zij ruimschoots geld
ter beschikking om alle kosten te kunnen dragen. Het behoeft geen groter
begrotingstekort op te leveren, daar deze kosten ingeschat meegenomen
kunnen worden in de begrotingen. Eigenlijk zou deze extra lening ook
buiten de reguliere begroting kunnen blijven, maar een extra potje
vormen, die terugbetaald kan worden door de opbrengsten van deze
omzetting naar schone en duurzame energie. Dat zijn niet alleen de
direct renderende activiteiten, maar ook de voordelen die indirect
ingeboekt worden, zoals minder uitkeringen en meer belastingopbrengst,
onder andere meer accijns op vervuilende brandstoffen. Ik denk dat wij
dan na tien jaar niet alleen een waterstof economie hebben, maar dat ook
de overheidsinvesteringen hoogstwaarschijnlijk geheel of nagenoeg geheel
zijn terugverdiend.
Het
enige wat de overheid nog zorgen kan baren is de inkomsten uit belasting
op brandstof voor vervoermiddelen. Doordat om het gebruik van waterstof
te stimuleren de prijs van waterstof laag gehouden moet worden en wel op
ongeveer de helft of slechts iets minder per afgelegde kilometer dan die
van vervuilende brandstoffen, kan hierdoor de inkomsten uit deze melkkoe
teruglopen. In dat geval kan de oplossing worden gezocht in het verhogen
van de belasting op waterstof én op de vervuilende brandstoffen,
zodanig dat de totale inkomsten gelijk blijven. Maar ook bij verhoging
zal de gemiddelde kosten per gereden kilometer aan brandstof met
waterstof ongeveer de helft of slechts iets meer mogen zijn dan die van
de vervuilende brandstoffen, om het lonend te laten blijven om over te
stappen op waterstof. Maar er is nog een probleem. Door de
gedecentraliseerde energieopwekking en het overal beschikbaar zijn van
waterstof zullen steeds meer mensen in de verleiding komen om het
waterstof zelf op de juiste druk te brengen en hun tanks daarmee te
vullen om zodoende alle belasting te omzeilen. Ook voor dit probleem is
een oplossing. Alle vervoermiddelen op waterstof zijn voorzien van een
computer om het proces te bewaken. Leg wettelijk vast dat de fabrikant
van het voertuig in deze computer een voorziening moet treffen waardoor,
onuitwisbaar, het kenteken en de nationaliteit van het land van verkoop
wordt vastgelegd. Gedurende de levensduur van deze auto moeten er een
aantal kentekens en bijbehorende landen kunnen worden vastgelegd. Leg
ook wettelijk vast dat de kilometerteller zodanig moet zijn ingericht
dat de afgelegde kilometers niet veranderd kunnen worden. Leg ook
wettelijk vast dat bij elke reparatie of onderhoud in een garage, de
garage eigenaar van alle te repareren voertuigen door zijn
diagnoseapparatuur de eerste, de voorlaatste en het laatste kenteken
laat uitlezen en deze samen met de uitgelezen kilometerstand meldt bij
een landelijk meldpunt, het liefst over internet of een rechtstreeks
inbelnummer. Auto's van een ander land worden dan aan dat land gemeld.
Laat vervolgens de eigenaar inschatten hoeveel kilometers hij/zij per
jaar rijdt en geef een eindafrekening bij elke melding met meer dan een
half jaar tussenruimte na reparatie. Dan kan er een belasting voor
verbruik per maand worden opgelegd, afhankelijk van merk, type en
geschatte aantal kilometers die, net als bij de energierekening, zo nu
en dan wordt gecorrigeerd op basis van de werkelijk aantal gereden
kilometers. Dan kan ook elke belasting op waterstof, met uitzondering
van de BTW, worden afgeschaft. Met een verbod en hoge boetes voor
particulieren en ondernemers om zonder vergunning gas uit eigen voorraad
in het voertuig te tanken en een opgave systeem voor vergunninghouders
ten behoeve van de BTW afdracht kan, buiten het criminele circuit,
illegaal gas tanken worden voorkomen. Want de voordelen zijn minimaal,
BTW over een lage gasprijs, maar de nadelen erg groot. Dit systeem kan
eigenlijk vanaf het begin worden ingevoerd. Door dit systeem wordt
bovendien ook diefstal van de vervoermiddelen tegen gegaan. Bij elk
bezoek aan een garage wordt het gestolen voertuig gelokaliseerd en een
ander kenteken opschroeven dan in de boordcomputer staat heeft geen
enkele zin, omdat dit bij een garage geconstateerd wordt en, wettelijk
verplicht, doorgegeven aan de politie. Blijft dat vrachtauto=s en bussen
de meeste slijtage op de weg veroorzaken en de overheid hen daarvoor
eigenlijk wil belasten. Dat kan in dit systeem worden ingebouwd. Alleen
de afgelegde kilometers in een ander land dan het eigen land kan voor
doorvoerlanden als bijvoorbeeld Duitsland en België nadelig uitpakken.
Maar de Duitse overheid wil tol-poortjes ontwikkelen. Wanneer in bussen
en vrachtauto=s een voorziening is ingebouwd, zodat bij het passeren van
een grens het kenteken en de kilometerstand wordt doorgegeven, dan kan
met een clearingsysteem de gereden kilometers in een ander land worden
afgerekend. Daar hoeft de eigenaar of chauffeur van het voertuig verder
niets van te merken, maar het is een afrekening tussen landen. Dit
systeem kan pas ingaan als de techniek het aan kan.
De
effecten op de economie en de werkgelegenheid:
De
effecten op de economie en werkgelegenheid zijn geweldig. Want gaat u
maar na! Niet alleen zullen vervoermiddelen een snellere afschrijving
krijgen, omdat wie het kan betalen zo snel mogelijk over zal schakelen
op waterstof als brandstof. De oude voertuigen, die op vervuilende
brandstoffen rijden, zullen zeker minder in trek zijn. Maar ook de bouw,
plaatsing en onderhoud van windmolens, nieuwe waterkrachtcentrales en
zonnecellen zullen vele mensen aan het werk helpen. Dan de nieuwe
productie van alles wat nodig is voor de omzetting van elektrische
energie naar waterstof en andersom, de opslag en vervoer van waterstof
zal nieuwe werkgelegenheid meebrengen. Denk ook eens aan de blijvende
werkgelegenheid in het onderhoud. Windmolens en waterkrachtcentrales
vergen het nodige onderhoud. Maar er is ook laaggeschoold onderhoud
nodig voor de zonnecellen. Deze zullen één of twee keer per jaar
gewassen moeten worden. Om miljarden m5 zonnecellen jaarlijks te wassen
zijn vele mensen nodig. Ook alle veranderingen in de industrie en de
huishoudens, die gestuurd door de overheid, over moeten schakelen op
waterstof levert veel werk en omzet op. Denk hierbij niet alleen aan de
industrie in elektrische apparaten of aan de vele kilometers nieuwe
elektriciteitskabels en aanverwante zaken die in de huizen moeten worden
verwerkt, maar ook als in bestaande huizen deze kabels in de vloeren,
muren of plafons worden
verwerkt aan de bouwvakkers die nodig zijn om de gleuven te maken en de
beschadigingen te repareren. Daarnaast zullen de leveranciers van
bouwmaterialen, vloerbedekking en overige interieur producten profiteren
omdat deze voor verbouwingen nodig zijn of vaak voortijdig moeten worden
vervangen. Dus ook de handelaren in deze materialen. De centrale
verwarmingen zullen minstens aangepast moeten worden aan waterstof maar
ook in een groot aantal gevallen vervangen door nieuwe apparaten. Er
zullen niet alleen zonnecellen op het dak worden geďnstalleerd, omdat
deze zich snel terugverdienen, maar ook brandstofcellen in woningen.
Wanneer er toch al grote wijzigingen aangebracht zouden moeten worden in
de centrale verwarming, of dat mensen de kamers met gaskachels
verwarmen, dan zullen er ongetwijfeld mensen zijn die geheel geen
centrale verwarming meer willen, maar overstappen op elektrische
verwarming voor de gehele woning. Dat betekent soms een ingrijpende
verbouwing en in ieder geval een zware uitbreiding van het
elektriciteitsnetwerk in de woning. En dat betekent weer omzet en werk
voor vele takken van industrie en bedrijfsleven. Kortom de omschakeling
van een op olie gebaseerde economie naar een op waterstof gebaseerde
economie betekent een opleving van alle of nagenoeg alle bedrijfstakken.
De vraag naar arbeid zal hierdoor ook zeer sterk groeien. Hierdoor zal
ook het consumentenvertrouwen terugkeren. De bedrijfstakken die niet
rechtstreeks profiteren van deze omschakeling die zullen door het
gestegen consumentenvertrouwen en de daaraan gepaarde hogere bestedingen
indirect profiteren.
Denk
echter ook aan het andere vervoer door de lucht, over het land en over
het water. Vliegtuigen zullen minimaal nieuwe motoren moeten krijgen en
de opslag van brandstof moet worden aangepast aan de nieuwe brandstof.
Een aantal typen vliegtuigen of oudere vliegtuigen, waarbij de ombouw
niet meer loont, zullen sneller uit het verkeer worden gehaald dan
anders het geval was. Dit betekent ook dat de vliegtuigindustrie veel
meer orders zullen ontvangen. Orders voor ombouw maar ook meer orders
voor nieuwbouw. Ook de bouw van nieuwe treinen zullen worden
gestimuleerd. De huidige elektrische treinen kunnen nog jaren blijven
doorrijden. Maar de diesellocomotieven zullen ongetwijfeld eerder worden
vervangen. Als de spoorbedrijven tot de ontdekking komen dat het
opwekken van energie in de trein zelf in plaats van afname van het
hoogspanningsnet niet alleen goedkoper is, maar ook minder
storingsgevoelig, dan zullen vele elektrische treinen op zijn minst
worden omgebouwd of voorzien van nieuwe locomotieven. Ook in die
industrie is er een sterke toename van orders te verwachten. Op de weg
zullen niet alleen auto=s worden vervangen maar ook scooters en motoren.
Hoogstwaarschijnlijk zullen er na tien jaar geen benzine-scooters of
motoren meer rondrijden. Ook in die industrie betekent dat een grote
opleving. Doordat voor het eerst er een echte optie is om zelf
elektriciteit op te wekken in caravans en daar dezelfde luxe te hebben
als thuis óók als er niet op een camping wordt overnacht, zullen de
nieuwere caravans voor dat doel worden omgebouwd en de oudere caravans
sneller worden afgeschaft. Door het goedkoop worden van zonnecellen
zullen bovendien vele verrijdbare vakantiewoningen van zonnecellen
worden voorzien, waardoor de waterstoftanks langer mee gaan. Voor de
watersport geldt een zelfde soort verhaal. De kleine buitenboord-motoren
op benzine zullen al spoedig allemaal vervangen worden door elektrische
motoren, omdat die in gebruik veel goedkoper zijn, minder lawaai en
vervuiling geven en door verbeterde accu=s (vanadium accu's
bijvoorbeeld) toch vele uren lang vaarplezier opleveren. Maar ook
jachten zullen overstappen op brandstofcellen en elektrische motoren.
Want door het onbeperkt opwekken van elektrische energie is ook op
kleine jachten de luxe van thuis mogelijk, wat het nu vaak niet is.
Bovendien zal de overheid door belastingmaatregelen ervoor zorgen dat
het varen op waterstof goedkoper worden dan op vervuilende brandstoffen.
Voor de jachtbouw betekent dit veel ombouw van jachten, het sneller uit
de vaart nemen van oude jachten die de ombouw niet meer waard zijn en
mogelijk meer nieuwe jachten en boten. Voor de binnenvaart en de
zeescheepvaart geldt eigenlijk het zelfde. Ook daar zullen dieselmotoren
vervangen moeten worden door gasturbines die op waterstof kunnen lopen.
Oudere schepen zullen ook daar eerder uit de vaart worden genomen. Er
zal een daling zijn in tankers voor olievervoer, maar daarentegen zullen
er nieuwe schepen worden gebouwd om waterstofgas te kunnen vervoeren.
Dus voor scheepswerven zal er veel werk komen. Deze omschakeling houdt
ook een enorme afvalberg in van vervangen apparaten en machines en
voertuigen die niet meer gebruikt worden. Ook voor de sloop hiervan zijn
vele werkers nodig.
Al
deze vernieuwingen en nieuwbouw zullen voor de ombouw veel werk vragen.
Van een wereldwijde recessie zal, zeker in Europa, deze over gaan tot
een hoogconjunctuur die vele jaren zal aanhouden. Temeer als de Europese
overheid voor hun miljarden contracten de eis stelt dat deze in Europa
gefabriceerd moeten worden. Veel nieuwbouw en ombouw zal al in Europa
gemaakt worden, maar voor de particuliere markt kan deze eis niet
gesteld worden. De overheid kan deze eis wel stellen gezien hun andere
doel dan van een particulier, die enkel uit is op winst, en door de
gigantische waarde van de overheidsorders. Voor de omschakeling naar een
waterstof economie zal ongeveer een decennium nodig zijn. Misschien kan
het sneller, maar ik denk dat wij op een decennium moeten rekenen. Dat
betekent dus een decennium van hoogconjunctuur alvorens de markt weer
enigszins verzadigd raakt. De effecten kunnen langer doorijlen doordat
de mensen na de kosten van de noodzakelijke omschakeling nog geld over
hebben om zich meer luxe te veroorloven. Zeker is het met het
omschakelen naar een waterstofeconomie er ook een vele jaren durende
hoogconjunctuur zal ontstaan in Europa en buiten Europa.
De
effecten op de rest van de wereld:
Natuurlijk
heeft zo'n geweldige omschakeling als van een op olie gebaseerde
economie naar een op waterstof gebaseerde economie een geweldig effect
ook buiten Europa. Op de eerste plaats zullen de economieën buiten
Europa ook een opleving kennen, omdat veel van de materialen en
apparatuur die Europa hiervoor nodig heeft ongetwijfeld buiten Europa
zullen worden geproduceerd. Maar ook omdat een goed voorbeeld navolging
verdient en ook zal krijgen. Want de voordelen voor Europa om over te
schakelen op een waterstof economie gelden ook en soms zelfs in meerdere
mate voor de rest van de wereld. Van de wereldwijde klimaatverandering
door opwarming van de aarde en de ook wereldwijde vergiftiging van
lucht, bodem en water heeft de gehele wereldbevolking last. Bovendien
geldt zeker voor arme landen, dat wanneer zij hun nodige energie zelf
kunnen opwekken, zij ook de broodnodige deviezen in eigen zak kunnen
houden. Landen die afhankelijk zijn van hun olie-inkomsten zullen minder
gelukkig zijn. De meeste van die landen zijn echter in de tropen of
subtropen gelegen en kunnen dus gemakkelijker dan wij in Europa voor
zichzelf energie opwekken en nog een surplus aan andere landen verkopen.
Zij kunnen dus netto leveranciers blijven, maar moeten daarnaast ook op
zoek gaan naar andere bronnen van inkomsten. Want de winsten die zij nu
maken zullen bij een omschakeling naar waterstof echt verdwijnen. Landen
in het Midden-Oosten zijn bijna allen woestijnachtig met heel veel zon
en aan een zee gelegen. Op hiervoor genoemde wijze kunnen zij zeewater
gebruiken voor energieopwekking en voor het bevloeien van het land.
Hierdoor kunnen zij van hun woestijnen vruchtbare gronden maken,
waardoor de invoer van voedsel niet meer nodig is en zij op langere
termijn ook hout leveranciers kunnen worden. Enkel hieruit al valt een
goed bestaan op te bouwen. Maar niets belet deze zeer rijke landen om
ook een industrie van de grond te tillen en industriestaten te worden.
Op deze wijze kunnen zij een hoge welvaart bereiken.
Maar
zoals gezegd, een goed voorbeeld doet goed volgen. Verwacht mag worden
dat er na de beslissing van de Europese Unie om in een decennium een
waterstof economie in te voeren er veel scepsis vanuit de rest van de
wereld zal zijn. Wanneer echter door massafabricage van de benodigde
hulpmiddelen de apparatuur voor opwekking van schone en duurzame
energie, die voor omzetting naar en van waterstof en de opslag en
vervoer van waterstof goedkoop dan wel betaalbaar en concurrerend
blijken met die van vervuilende brandstoffen, dan zal er ook een omslag
komen in het denken van de sceptici. Dan worden de voordelen pas écht
duidelijk. Zonnecellen voor opwekking van elektra zijn, in massa
geproduceerd, goedkoop geworden. Door middel van zonne-energie kunnen
woestijnen veranderd worden in vruchtbare gronden en men houdt bovendien
nog energie over. Europa zal na het helpen van één land in Afrika bij
wijze van proef en om deze techniek te bewijzen ongetwijfeld nog van
vele andere arme landen de vraag om soortgelijke hulp krijgen. Om de
economische vluchtelingen stroom uit die landen in te dammen is het
verstandig om deze aanvragen te honoreren, maar dat terzijde. Landen
zonder veel eigen middelen, maar met veel zon krijgen ineens veel
energie om aan te bieden, terwijl de bevolking het iets rijker kan
krijgen. Al is het enkel maar omdat elektriciteit door zonne-energie
goedkoper kan zijn dan brandhout om het voedsel op te bereiden en
goedkoper dan kaarsen of een olielampje voor verlichting. Maar ook
rijkere landen zullen de voordelen van deze schone en plaatselijk
opgewekte energie spoedig inzien. Ook voor hen betekent het een
onuitputtelijke bron van energie. Dat de instrumenten om wind, water en
zonne-energie op te wekken over de gehele wereld goedkoper zullen worden
staat vast. Goedkoper heeft vaak te maken met massafabricage. Welnu,
voor de behoeften van Europa zullen al deze apparaten in massa gemaakt
moeten worden en dus worden zij goedkoper. Neem nu bijvoorbeeld de
zonnecellen. Europa heeft er zoveel van nodig dat voorlopig de invoer
hiervan onbelast kan zijn. Daarom kunnen ze ook buiten Europa in massa
geproduceerd worden, omdat een afzet naar Europa eigenlijk zo goed als
gegarandeerd is. Maar natuurlijk zal ook aan de binnenlandse vraag en
aan de vraag naar zonnecellen in andere landen dan Europa voldaan
worden. Omdat de productiekosten door massafabricage ongeveer met 80%
ten opzichte van nu gedaald is, kunnen de zonnecellen ook buiten Europa
goedkoop worden aangeboden. In Europa kan toch ook niet een superprijs
gevraagd worden, dankzij de te nemen maatregelen van de overheid. Het
effect zal zijn dat de gehele wereld, hier en daar langzamer, maar
misschien ook hier en daar sneller zal overstappen op waterstof. China
en India met hun zeer grote bevolkingen en een gebrek aan energie zullen
bijvoorbeeld van een waterstofeconomie heel veel profijt kunnen hebben.
En dat geldt eigenlijk voor alle landen van de wereld. Daarom zal bij
invoering van een waterstof economie in Europa met aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid de rest van de wereld volgen. Met ook daar
een jarenlange hoogconjunctuur
als gevolg. De gevolgen voor het milieu zijn fantastisch. Want op deze
wijze wordt aan de verdere opwarming van de aarde werkelijk een eind
gemaakt en de vergiftiging van lucht, bodem en water is er niet meer of
in elke geval drastisch minder. Elke aardbewoner, mens, dier en plant,
profiteert hiervan.
Olie
wordt genoteerd in Amerikaanse dollars. Als Europa als eerste een markt
opent voor waterstof, omdat die in grote hoeveelheden noodzakelijk is,
dan is het logisch en begrijpelijk dat het waterstof genoteerd zal
worden in Euro's. Omdat dit een wereldhandel gaat worden is het gevolg
ervan dat de sleutelvaluta in de wereldhandel zal gaan verschuiven van
de Amerikaanse dollar naar de Euro. Immers, de Amerikaanse dollar is
enkel een sleutel valuta geworden doordat deze valuta overal in de
wereld aanwezig was en een redelijk constante waarde had. Hierdoor zijn
alle valuta tegenwoordig min of meer opgehangen aan de waarde van de
dollar. Dat heeft aan de Verenigde Staten de mogelijkheid gegeven om
vele jaren lang een tekort te hebben op de betalingsbalans en
tegelijkertijd een gigantische staatsschuld op te bouwen. De rest van de
wereld financiert de tekorten van de Verenigde Staten. Als de dollar
zijn sleutel positie verliest, dan kan die in een vrije val komen. Dit
is zeer onwenselijk, omdat geen enkel land of combinatie van landen ter
wereld meer echte, waardevaste goederen, als dekking voor hun valuta
hebben, maar de waarde van de valuta worden bepaald op de geldmarkt.
Hierbij komt nog dat de meeste transacties op de geldmarkt speculatief
zijn. Rond 1990 volgde ongeveer 90% van de geldstromen de
goederenstromen over de wereld. Ongeveer 10% was speculatief. In 2000
was het omgekeerd. Dus toen waren 90% van de geldtransacties
speculatief. En zoals gezegd, alle valuta zijn min of meer gerelateerd
aan de Amerikaanse dollar. Komt de dollar in een vrije val dan sleurt
die alle andere valuta met zich mee en ontstaat er een wereldwijde
chaos. Daarom is het ook geen goed idee om de notering van de olie van
Amerikaanse dollar over te laten gaan naar de Euro, zoals verschillende
landen hebben voorgesteld. Want dan immers komen er tientallen miljarden
zo niet honderden miljarden dollars in één keer terug naar de
Verenigde Staten, die nu altijd buiten de Verenigde Staten blijven,
omdat ze nodig zijn voor de olie- en andere transacties. Dat kan de
Verenigde Staten niet aan. Het is toch al de vraag of een geleidelijke
afbouw van de dollarstroom niet tot problemen zal leiden, maar er is een
grotere kans dat dit goed gaat in een periode van ongeveer tien jaar dan
ineens. Dat kan alleen als de regering van de Verenigde Staten bereid is
om zwaar te bezuinigen en hun handelsbalans meer in evenwicht te
brengen. Anders knapt de zeepbel van de valutahandel onherroepelijk. Bij
de omzetting van olie naar waterstof misschien binnen tien jaar.
Binnen
tien jaar een volledige waterstofeconomie realiseren is waarschijnlijk
niet geheel mogelijk. Maar wij kunnen wel ver komen. Er zullen echter
altijd mensen en streken zijn die achter lopen. Mensen die de oude
machines zo mooi vinden dat zij de hoge brandstofkosten voor lief nemen.
Streken die door armoede nog niet zover zijn dat zij geheel zijn over
geschakeld op waterstof, omdat zij hiervoor nodige investeringen niet
hebben kunnen opbrengen en nog gedeeltelijk met oude machines werken.
Zij moeten wachten tot er van de waterstofapparaten voldoende
tweedehands op de markt komen en daarom goedkoop voorhanden zijn. Voor
zover zij in Europa gelegen zijn kan de overgang door de Europese
overheid met subsidies gestimuleerd worden. Maar toch zal er nog een
rest met oude brandstoffen werken. Geen honderd procent overgang naar
waterstof dus, maar ik denk dat Europa, als zij de maatregelen nemen die
hier voorgesteld zijn, er hoogstens enkele procenten vanaf zitten. Voor
de rest van de wereld zal deze overgang, mits de Verenigde Staten
meedoen, ergens tussen de tachtig en honderd procent inzitten. Toch een
zeer goed resultaat! De olie die dan nog nodig is zal slechts een
greppel zijn in vergelijking met de brede rivier die nu noodzakelijk is.
En als wij dan weer tien jaar verder zijn, dan zal de overgang
waarschijnlijk voltooid zijn en er zullen wereldwijd nog nauwelijks
vervuilende brandstoffen te koop zijn. Tien jaar nadat de Europese Unie
is begonnen met de omschakeling naar een waterstof economie zal
waarschijnlijk de opbouw van de broeikasgassen zo goed als zijn beëindigd
en zal het milieu reeds kunnen profiteren van het minder vergiftigen van
de biosfeer. De mensen ademen weer schone lucht in en het water kan bij
wijze van spreken weer zo uit rivieren en beken gedronken worden. Kortom
iedereen heeft ermee gewonnen.
Om
deze grote omwenteling te kunnen realiseren is er echter een krachtig
bestuur nodig. Omdat geen enkel land in Europa (met uitzondering van
Rusland, maar die zit niet in de EU) deze omwenteling alleen kan, hebben
wij elkaar dus in de Europese Unie nodig. Daarom zal er ook een Europese
regering moeten komen, die boven de landsregeringen staat. Want bij het
stabiliteitspact hebben wij gezien dat landelijke korte termijn politiek
en belangen gaan boven het algemeen belang van alle lidstaten. Dat
kunnen wij met de verandering van een olie economie naar een waterstof
economie niet hebben. Daarom zullen wij niet alleen moeten werken aan
een grondwet voor Europa, maar aan een werkelijk één worden van ons
werelddeel. Sommige zaken kunnen wij nu eenmaal alleen Europa breed
oplossen.
Omdat
er gebruik gemaakt wordt van bestaande technieken is de verandering naar
een waterstof economie technisch haalbaar. Niet alle apparatuur is nog
ontwikkeld en er moet nog veel worden gebouwd, maar er wordt uitgegaan van
bestaande technieken, dus de apparatuur is slechts een technische
toepassing. Ook economisch is het haalbaar om naar een waterstof economie
toe te gaan. Het is zelfs zeer wenselijk, omdat het ons uit de huidige
economische recessie haalt. Bovendien heeft deze omzetting van brandstof
eerder een positief effect op onze rijkdom, zowel individueel als macro
economisch, dan een nadelig effect. Ook vanuit milieu oogpunt is deze
omzetting zeer wenselijk. Alle afspraken uit het Kyoto akkoord zijn
hiermee kinderlijk eenvoudig te halen en overschrijden dit moeizaam
bereikte akkoord vele malen. Overstappen op waterstof als brandstof
volgens dit model en plan levert ons op de duur weer een schone aarde op.
Het zal nog tientallen jaren duren voordat het huidige in en op de aarde
gebrachte gifstoffen zijn verdwenen, maar wij stoppen tenminste om de
aarde verder te vergiftigen. Wij zijn nu bezig om de biosfeer waarin en
waarvan wij leven zodanig te vergiftigen, dat ons eigen overleven in
gevaar komt. Dat geldt nu reeds voor talloze dieren en planten. Met dit
onmogelijk maken van al het leven op aarde wordt ook gestopt als wij
overstappen op een op waterstof gebaseerde techniek en economie. Alleen
voor de oliemaatschappijen is het jammer, maar die worden minder waard.
Zij hebben echter de tijd om zich om te bouwen in een andere industrie,
bijvoorbeeld de producenten van zonnecellen. Ook kunnen zij een rol
blijven spelen op de energiemarkt door te gaan handelen in waterstof. De
tijd van de vette winsten is echter met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid over. De omzetting naar waterstof hoeven wij ook niet
te blokkeren uit angst voor de ineenstorting van de valuta. Als wij op
deze wijze door gaan om onze valuta=s zonder een reële dekking aan de
speculatieve markt over te laten, dan zal deze luchtballon zo wie zo een
keer uiteenspatten. Daar is het overstappen naar een waterstof economie
niet voor nodig en/of heeft daar zelfs geen wezenlijke invloed op.
Een
waarschuwing is hier ook op zijn plaats. Wanneer iemand zorgvuldig een
machine ontworpen heeft die goed kan werken, dan zal de bouw van deze
machine moeten plaatsvinden volgens dit ontwerp. Wanneer er onderdelen uit
worden gelaten zal geen mens vreemd moeten opkijken als deze machine
slecht, of zelfs helemaal niet werkt. Dit geldt ook voor dit plan om over
te schakelen op een waterstof economie. Natuurlijk geeft dit plan alleen
de grote lijnen weer en veel details moeten nog ingevuld worden. Maar er
kan niet straffeloos onderdelen uit dit plan worden verwijderd. Om u een
voorbeeld te noemen; als niet gelijktijdig of vooruitlopend met de
belasting op auto=s in de brandstofprijs te verdisconteren en het
waterstofgas goedkoper maken dan vervuilende brandstoffen de
beschikbaarheid van waterstof wettelijk wordt afgedwongen, dan zal de
verwachte vraag naar waterstof uitblijven. Want niemand koopt een auto als
hij er niet zeker van is dat de brandstof voor deze auto overal
verkrijgbaar is. Dus zal er een wettelijke dwang moeten zijn om het aanbod
van waterstof wijdt verbreid en vanaf het begin te waarborgen. Het lijkt
een kleinigheid, maar is van essentieel belang voor het welslagen van dit
plan. En zo is het ook met andere onderdelen van dit plan. Ondoordachte
wijzigingen zorgen ervoor dat het niet werkt. Gegarandeerd!
Dus
vanuit technisch, economisch en milieu standpunt is er meer voor te zeggen
om over te stappen op waterstof als brandstof, tezamen met een schone en
duurzame opwekking van energie, dan dat er tegen argumenten kunnen worden
aangevoerd. Er van uit gaande dat wij verstandige politici hebben zal dit
plan ook politiek haalbaar zijn. Wij zullen echter wel krachtige
bestuurders moeten aanwijzen die dit plan ook ten uitvoer (laten) brengen.
Zonder een krachtige sturing van de Europese en landelijke overheden zal
het mislukken.
Einde
verhaal. of download als PDF op de pagina download. U kunt daar ook gratis Acrobat Reader downloaden. |
|
HOME - GOD IS LIEFDE EN LEVEN - DE EUROPESE OPLOSSING - SLAVERNIJ IS ECONOMISCHE NOODZAAK - ARTIKEL DAKLOZEN |